|


|

Met dank aan
Kinderverhalen
Mama is zwanger
door Petra
'Farah, kom eens beneden, ik moet je wat vertellen,' roept moeder onder aan
de trap. Farah rent de trap af en ploft in de kamer op de bank neer. 'Wat is
er?' vraagt ze verbaasd. 'Nou, het zit zo,' begint moeder. 'Ik weet niet of
je het leuk vind of niet.' Farah kijkt nog verbaasder. 'Ik ben namelijk
zwanger,' zegt moeder. 'Vind je het leuk?' ' ZWANGER?' krijst Farah. 'Ben je
niet goed?' Dan krijg ik er zeker nog zo'n mormel van een broertje bij?' '
Hou je stil,' roept moeder boos. 'Ten eerste is Joey misschien soms iets
lastig voor je, maar hij is hartstikke lief en bovendien is ie nog maar twee
jaar en ten tweede vind ik dat je wel wat enthousiaster mag doen.' 'Hoelang
ben je al zwanger dan?' vraagt Farah beschuldigend. 'Twee en een halve maand,'
antwoordt moeder. 'Vind je het echt niet leuk?' 'Sorry van daarnet,' zegt
Farah zachtjes. 'Ik schrok nogal.' ' Geeft niet,' zegt moeder. 'Dat is ook
logisch.' 'Wil jij meehelpen om een naam te verzinnen?' Farah knikt. 'Dat
vind ik wel leuk.' Weet Joey het al?' 'Nee, maar je mag hem wel halen, hij
is in z'n kamer met blokken aan het spelen.' Farah loopt naar haar broertjes
kamer toe en doet de deur open. 'Joey, kom eens,' zegt ze. 'Faajaa,' roept
Joey stralend. Farah voelt zich schuldig dat ze net zo schreeuwde dat Joey
een mormel was. 'Faajaa helpe toore bouwe.' 'Nee Joey, je moet even meekomen.
Mama wil je iets leuks vertellen.' 'Ies leuks vetelle,' juicht Joey. 'Kom
maar mee,' zegt Farah. Ze pakt haar broertje bij de hand en loopt de
huiskamer in. Moeder zit op de bank. 'Mama leuks vetelle,' gilt Joey en hij
klimt razendsnel op de bank. Moeder glimlacht naar Farah. 'Jij houdt toch zo
van babietjes?' vraagt moeder aan Joey. Joey knikt. 'Ja.' 'Dan ben je nu
vast heel blij, want mama krijgt zélf een babietje. In mei.' 'BABY,' gilt
Joey. 'BABY, BABY, BABY!!' 'Ben je blij?' vraagt moeder aan Joey. Joey knikt
stralend.
Het is zes maanden later. Het is midden in de nacht. Farah slaapt. Opeens
hoort ze geluid beneden. Ze stapt uit bed en doet de deur van haar kamer
open. Ze ziet dat er licht brandt. Ze doet haar pantoffels aan en sluipt de
trap af. Ze ziet door het glas van de deur dat moeder op de bank ligt.
Geschrokken trekt Farah de deur open. Moeder ligt met een trots gezicht op
de bank en vader zit er trots naast. Moeder heeft een handdoek vast. 'Kom
eens hier lieverd,' zegt moeder. Farah loopt naar vader en moeder toe. 'Twee?'
zegt Farah stomverbaasd. 'Ja,' zegt moeder. 'Een wonder hé?! Ze zeiden dat
er maar één baby in m'n buik zat!' 'Hoe heten ze dan?' vraagt Farah, nog
steeds verbaasd naar de handdoek kijkend. 'We hadden maar één naam.' Moeder
knikt. 'Maar wat dacht je van Yasmin en Sami?' Farah knikt. 'Leuk,' zegt ze.
'Zal ik Joey wakker maken?' ' Nee, laat hem maar lekker slapen,' zegt vader.
'Hij ziet het morgen wel. Wat zal hij verrast zijn!' 'Mag ik ze even
vasthouden?' vraagt Farah. 'Tuurlijk,' zegt vader. Hij neemt de tweeling van
moeder over en geeft ze aan Farah. 'Voorzichtig hé?' Farah geeft alle twee
de baby's een kusje op het voorhoofd. Ik heb het allerliefste broertje en
zusje van de wereld. En daar hoort Joey bij natuurlijk!

Is papa dood?
door Danielle van der Ziel, 12 jaar
Sanne kwam terug uit school, ze liep ze
liep zo snel mogelijk naar huis. Haar
vader was ernstig ziek, dus moest
iedereen op hem letten. Sanne stak de
sleutel in het gat en liep naar binnen.
Hallo pap riep ze. Geen geluid. Pap
herhaalde Sanne. Stil...Ze liep de
keuken in. Daar lag haar vader. Sanne
krijste. Papa! Ze liep naar de telefoon.
Het ziekenhuis. 221 nee, 112 ze typte
het nummer in. Mijn vader help me
schreeuwde ze. Ze gaf met moeite haar
adres op. Niet veel later kwam de
ambulance. Pap werd meegenomen.
Mama en Roos werden opgebeld. Roos is
een oudere zus van Sanne. Samen zaten ze
om het bed. Wordt papa beter? vroeg
Sanne. Moeder gaf geen antwoord. Het was
stil. Je hoorde wat piepjes van de
apparaten. Papa lag met allerei draadjes
in het witte bed. Roos lag te huilen,
moeder keek stil voor zich uit. En Sanne
keek verdrietig naar papa. Er kwam een
zuster binnen. Wilt u even mee komen?
vroeg ze aan mama. Mama liep mee. Sanne
en Roos zaten in de kamer. Word papa
beter? vroeg Sanne weer. Ja tuurlijk
mompelde Roos. Vind jij papa lief? vroeg
Roos. Ja tuurlijk zei Roos, maar dan op
een heel andere toon. Ik mis pappie, en
dood gaan is stom, zei Sanne. Papa wordt
beter oke? En nou stil, snauwde Roos en
ze pakte de Tina. Mama kwam weer binnen.
En? vroeg Roos. Vanavond blijf ik bij
Henk, jullie kunnen bij opa en oma
terecht. Ze proberen papa beter te maken,
en als het heel goed gaat kan hij over
twee weken weer naar huis zei moeder.
Naar oma en opa joepie, zei Sanne. Stom
wicht snauwde Roos.
Weer werd het stil.
Oma
kwam hen ophalen, ze hadden het heel
gezellig, eerst hadden ze over papa
gepraat, en om afleiding te zoeken had
opa een speurtocht door het bos gemaakt.
's Avonds aten ze pannenkoeken. Die
avond kon Roos niet slapen, ze dacht aan
papa. Gaat hij dood, ze had die middag
haar zusje over tuigt dat hij beter werd,
alleen zelf weet ze het niet.
Het ging mis, papa kreeg 's avonds een
hartaanval. Oma en opa werden gebeld. Ze
gingen zo snel mogelijk naar het
ziekenhuis. Hij was overleden. Moeder
lag huilend naast het bed van papa. Roos
gilde en zat huilend op een stoel. Oma
had Sanne vast.
Papa werdt een week later begraven.
Sanne begreep het niet echt, maar huilde
wel. Mama, Sanne en Roos hadden een
gedicht gemaakt.
Roos zou het voorlezen maar ze kon het
niet, moeder deed het voor haar.
Ze hoefen twee dagen niet naar school.
Toen ze weer op school waren deed
iedereen aardig, dat hielp niets vond
Roos. Daarmee komt papa niet terug.
Mama was erg stil, ze maakte het eten
voor twee weken. Roos zei dat ze op
moest houden. Eindelijk hield mama op.
Tenslotte ging het leven door.
Papa is nu twee jaar dood.

Het witte konijn in de sneeuw
door Niels van der Plas
Toen Pitty 's ochtends vroeg wakker werd,
op de vensterbank sprong en uit het raam
gluurde zag ze dat de juist opgekomen
zon op vers gevallen sneeuw schitterde.
'Ooh,' miauwde ze, en haar groene
kattenoogjes stonden groot van
verwondering. 'Ooh,' zei ze weer. De
bomen, de struiken, de daken van de
huizen en van de grote kerk in het
midden van het dorp, het ijs van de
Grote Plas - alles was helemaal wit.
'Patter,' schreeuwde ze, 'Kom kijken!
Snel!' Een beetje humeurig werd de grote,
bruine hond wakker en strompelde naar
het raam. 'Wat is 'r?' mompelde hij. 'Kijk
toch! Het heeft gesneeuwd! Alles is
wit.' Nu Patter het ook zag was hij
gelijk klaar waker. Want hoewel hij een
hekel had aan de winterkou, vond hij
sneeuw prachtig. Vol enthousiasme gaf
Patter de poes een lik over haar neus en
rende naar de andere kant van de kamer
om hard te blaffen. De baas kwam naar
beneden gelopen. 'Wat is er aan de
hand?' schreeuwde hij verschrikt. 'Woef,
Woef,' blafte Patter. 'Miauw,' mauwde
Pitty. Kwispelend stond de hond voor de
deur en blafte weer: 'Doe nou toch open
baas! Wij willen in de sneeuw spelen.'
'Ah, ik begrijp het al,' zei de baas. Er
trok een glimlach over zijn gezicht. 'Kijk
eens,' lachte hij, terwijl hij de
sleutel pakte en de deur opende. 'Ga
maar lekker buiten spelen, hoor.' Hij
gaf Pitty nog een aai over haar kopje en
sloot toen de deur weer.
'Brr,' die sneeuw voelt toch wel koud
aan,' huiverde Patter. 'Ach, domme hond,'
lachte Pitty. 'Natuurlijk voelt sneeuw
koud aan.' Ze renden allebei als gekken
rond door de sneeuw. Zo af en toe viel
er een lading sneeuw uit de bomen, die
ze allebei probeerden op te vangen met
hun mond. Ze renden de tuin door en
sprongen over het hekje. De buurman was
hard bezig om met zijn kinderen een
sneeuwpop te maken. Hij rolde grote
ballen sneeuw op elkaar. Toen ze een
half uur gespeeld hadden, waren Pitty en
Patter erg moe. Ze stonden samen, de
hond en de kat, op het heuveltje aan de
rand van het dorp. Pitty voelde het
warme licht van de zon. 'Kijk eens!'
miauwde ze. 'Daar! Die mensen, wat doen
zij op het ijs?' 'Ze zijn aan het
glijden,' riep Patter uit, 'Ze glijden,
kijk maar.' Terwijl hij dat zei,
zweefden er wolkjes uit zijn mond. Pitty
vond dat erg grappig en sloeg ze met
haar pootje uiteen. 'Kom,' zei ze, 'we
gaan er heen.' Razendsnel gleden ze de
heuvel af en sprongen op het ijs. Het
ijs was dik genoeg, als de mensen er al
op kunnen staan, dan kunnen een hond en
een kat het helemaal! Het ijs voelde net
zo koud aan als de sneeuw (misschien nog
wel kouder), maar dat maakte ze niet uit.
Ze hadden veel bewondering voor de
mensen die op het ijs schaatsten. 'Zie
je dat? Ze hebben geen gewone schoenen
aan! Ze staan op schaatsen en daarom
kunnen ze natuurlijk zo snel over het
ijs glijden!' Patter probeerde het ook,
maar hij gleed uit en belandde pardoes
op zijn snuit. Pitty kon het wel, zij
trok haar nageltjes uit en kon daarmee
gemakkelijk op het ijs lopen. 'Kom je
mee, Patter? Dan gaan we wandelen over
het ijs.' Patter had de grootste moeite
zich staande te houden, maar het ging
steeds beter.
Ze liepen een heel eind - het dorp lag
ver achter hen. Na een tijdje gingen ze
van het ijs af en liepen ze weer op het
gras aan de oever. Plotseling hoorde
Pitty een piepje. Ze luisterde goed...
Ja, een piepje! Het kwam vanachter die
struik. Ze sloop erheen, zoals alleen
katten dat kunnen... Maar ze zag niets.
Er was niets te zien! Weer dat geluid,
waar kwam het toch vandaan? Het was toch
zo dichtbij, of niet? 'Mevrouw...' klonk
het nu. Pitty's ogen vielen op een klein
zwart vlekje in de sneeuw. 'Mevrouw,
wilt u mij helpen?' Pitty's ogen werden
groot van verbazing. Patter keek ook
naar het stipje en snapte er niets van.
Dat stipje kan toch niet praten? Pitty
duwde haar neus er tegenaan. He, dat is
vreemd, dacht ze. Het voelt niet aan als
sneeuw. En toen opeens zag ze het. Het
stipje bewoog. Het zat vast aan een wit
konijn! Het was het konijn! Een
sneeuwwit konijn, dat ze eerst niet had
gezien! 'Mevrouw,' jammerde ze, 'Kunt u
mij helpen?' 'Wat is er dan?' vroeg
pitty. 'Ja, wat is er?' blafte Patter
zachtjes. Hij wilde het jonge konijntje
niet bang maken. 'Wat moeten we doen?' 'Ik
ben mijn holletje kwijt! Ik kan mijn
holletje niet vinden door de sneeuw! En
ik heb het zo koud!' De rode poes en de
grote bruine hond hadden medelijden met
het konijntje. 'We zullen je helpen je
eigen holletje weer te vinden,' miauwde
Pitty. 'Maar kom eerst maar eens bij mij,'
zei Patter snel. Hij keerde zich op zijn
rug. 'Spring maar op mijn buik. Die is
lekker warm. Dan wordt jij ook weer
warm. Het konijntje (dat trouwens
Zwartvlek heette) kroop op Patters buik,
die zijn grote poten om het diertje heen
sloeg. Pitty keek spinnend toe.
Zwartvlek kreeg het snel weer warm. Het
was een grappig gezicht om de hond te
zien liggen, terwijl het konijn op zijn
buik lag. In de sneeuw leek het net of
er een gat in Patters buik zat.
Toen Zwartvlek weer warm geworden was,
en vrolijk door de sneeuw sprong, was
het voor Pitty en Patty moeilijk om te
zien waar ze ging. Het konijntje was
bijna onzichtbaar in de sneeuw, alleen
het zwarte vlekje op haar pootje was te
zien. 'Goed, Ik ga hier zoeken, jij daar
en dan kan Zwartvlekje daar zoeken,'
stelde Pitty voor. Ze groef met haar
pootjes in de sneeuw. Patter groef
verderop. Met zijn voorpoten zwiepte hij
de sneeuw onder zich door de lucht in -
je hebt vast wel eens gezien hoe dat
gaat. Het duurde niet lang voordat er
gras verscheen, maar ze ontdekten geen
konijnenhol. Toen de ochtend al weer
lang voorbij was en ze uren gezocht
hadden naar het huis van Zwartvlek,
gaven ze het op. Ze konden het holletje
niet vinden. 'Waar moet ik nu slapen,
vannacht?' huilde het witte konijntje.
Er glinsterde een traan over het witte
gezicht. 'Ik kan toch niet buiten slapen?
Een roofdier zal me te pakken krijgen,
of misschien bevries ik wel!' Patter
sloeg zijn lompe hondenpoot over het
konijntje en troostte haar. 'Kom maar,'
suste hij, 'Stil maar, he. We verzinnen
wel iets.' 'Ik weet wel wat!' juichte
Pitty! 'Zolang er sneeuw ligt kunnen we
jouw holletje niet vinden, maar als het
weer dooit en de sneeuw verdwenen is,
dan komen we terug naar deze plaats en
zoeken we jouw huisje weer.
Waarschijnlijk zullen we het dan wel
vinden.' 'Maar waar moet ik dan zolang
heen?' een tweede traan rolde over het
gezichtje. 'Je kunt bij ons slapen,'
gromde Patter. Hij gromde natuurlijk
niet omdat hij kwaad was, omdat hij zo
enthousiast praatte. 'Je kunt bij ons in
huis! Dat zal de baas ook leuk vinden.
En na de winter kan je naar je eigen hol
gaan.' Zwartvlek juichte, dit vond ze
een geweldig plan! Ze vond Pitty en
Patter onwijs aardig.
Omdat het al laat was renden ze snel
naar de Grote Plas en schaatsten over
het ijs. Zwartvlek bleek dat het best
van alledrie te kunnen met haar grote,
lange konijnenvoeten. Patter had de
grootste moeite, maar hij werd geholpen
door Pitty. En terwijl Zwartvlek allang
weer aan de oever stond en naar al die
schaatsende mannen, vrouwen en kinderen
keek kwamen Pitty en Patter
aangestrompeld. Ze volgden het spoor dat
ze die ochtend hadden gemaakt en kwamen
weer in de tuin van de buurman waar een
geweldig grote sneeuwpop stond. Met een
grote wortel als neus en een warme sjaal
om. 'Waf! Waf!' blafte Patter. Snel
opende de baas de deur. 'Waar bleven
jullie toch!' riep hij ongerust uit. 'Ik
was hartstikke bezorgd!' Pitty gaf hem
een kopje en miauwde zacht. Toen liep ze
naar Zwartvlek toe. Kijk baas, kijk,
wilde ze zeggen, maar de baas kon haar
niet verstaan. Gelukkig zag hij het
konijn wel en nam het gelijk in zijn
armen. 'Ach...' zei hij zacht. 'Kom maar
naar Ome Jan.' En toen tegen de hond en
de kat, 'Hebben jullie haar meegebracht?
Wil ze hier logeren? Goed hoor, ik maak
een mooie plaats voor haar.' Hij zette
Zwartvlekje weer op de grond naast
Patter neer en haalde een grote bak uit
de schuur die hij vulde met stro. 'Kijk
maar. Hier mag jij vannacht lekker in
slapen. Ik moet nu alleen nog iets
lekkers voor je hebben.' Hij keek om
zich heen, maar wist niet wat hij aan
een konijn kon geven. Honden- of
kattenbrokjes lust een konijn natuurlijk
niet, en je kunt het ook geen pizza
geven. Toen zag hij de sneeuwpop in de
tuin van de buren staan. 'Een wortel,'
fluisterde hij, 'Ja een wortel zal ze
wel lekker vinden.' Hij sloop de tuin in
en haalde voorzichtig de neus van de
sneeuwpop af en propte een dikke tak in
het gat. Dat was een erg grappig gezicht
en de dieren schaterden het uit. De baas
legde de wortel in de doos en Zwartvlek
sprong er in. 'Zo,' lachte de baas. 'Heb
je zo'n honger?' Toen zette hij de bak
binnen naast de mand van Pitty en
Patter. Zelf ging hij op de stoel zitten
en zette de televisie aan. Hij keek naar
een spannende schaatswedstrijd. Pitty
sprong op zijn schoot en keek mee, maar
gluurde soms ook naar Zwartvlek en spon
dan tevreden.

Het mens op het eiland
door K. van Dieren
Er is een mens op het eiland! Wat zullen
ik en de andere dieren daaraan gaan doen?
Lees maar snel verder.
Ik keek naar de maan. Hij zag er heel
raar uit, zo raar had de maan er nog
nooit uitgezien. Het leek wel of de maan
mij wilde waarschuwen, niet alleen ik
maar iedereen op dit eiland. Ik
luisterde aandachtig naar de geluiden op
het eiland. Ik spitste mijn oren en mijn
horens begonnen te kraken. Oh nee hè de
maan had me toch niet echt gewaarschuwd.
Iedereen op het eiland was in paniek. Ik
dus ook. Helupp wat is dit voor een
droom het lijkt wel mijn ergste
nachtmerrie.
Konijn kwam naar mij toe om te vragen of
ik mee ging naar het huis van Muis daar
was een vergadering. Ik had tegen konijn
gezegd dat ik er later aankwam ik wilde
mijn grasthee eerst op drinken. Konijn
had gezegd dat hij een plaatsje voor mij
bezet zou houden. Ik vond dat een
uitstekend goed idee. Na drie minuten
had ik mijn grasthee op en ging naar het
huis van Muis. Ik kwam er als een na
laatste binnen.
Het was er heel stil. De baas van de
vergadering was Giraffe. Giraffe was
behoorlijk van streek. En net wat ik
dacht ging het erover dat er een mens op
het eiland was.
Dat was het ergste gevaar wat je
maar kon bedenken. Het mens was
waarschijnlijk van plan om hier een
menseneiland van te maken. Eerst
mooie verhalen en gedichten over dit
eiland schrijven zodat iedereen komt
kijken en er van alles mee van plan
zijn. Ik had een goed plan bedacht.
"Als we nou eens het mens bang maken
met geluiden en dingen laten
verdwijnen dan zal het mens bang
wegrennen en iedereen vertellen dat
het er spookt en dat het op dit
eiland niet pluis is. Iedereen vond
het een fantastisch voorstel in
plaats dat wij bang waren gingen we
juist het mens bang maken.
We begonnen meteen. Het mens zat op
een steen iets op en blaadje te
schrijven het leek op een gedicht.
Zeker wist ik het niet. Het mens zat
iets te mompelen iets over
griezelverhalen dat, dat niet goed
voor je was of zoiets. Ik snapte er
niks van. De taal kon ik niet
verstaan. Ik praat door gewoon Muhhh
en Boe en door onnozel te kijken. Ik
riep keihard "Boe " en liet takken
heen en weer bewegen. Het mens keek
angstig om. "Wat is dat. Iiis
dddaaaarrrr iiemandd ?????? Intussen
pakte kikker het blaadje waar het
mens op schreef. "AHHHHHHHHHHH
Helupppp een kkkkikker Ahhhh" Ik kon
mijn lach niet inhouden en maakte
nog engere geluiden en liet warme
grasthee op het mens zijn hoofd
vallen.
"Ahhhhhh" "genade" het mens rende
keihard weg en ging in een soort
ding dat op het water dreef weg.
Ik lachte het uit en de rest van de
dieren op het eiland ook. He hè
eindelijk weg, ik hoop dat het mens
niet meer terugkomt. Zo wel dan heb
ik nog leuke dingen in gedachten.
Hoe is het afgelopen met het mens:
het mens is meteen in het ziekenhuis
opgenomen en durft niet meer naar
buiten te komen. Behalve als je haar
handje stevig vasthoudt.

Helderblauwe ogen
door Rianne Wijmenga
De
regendruppels trommelen een steeds
sneller wordend ritme op het plastic van
de paraplu. Shaya rent op de maat naar
het metrostation.
Het is maar twee straten van de
muziekschool naar het station, maar
genoeg om doornat te worden.
Als een jonge hond schudt Shaya in de
portiek dikke druppels uit haar haar en
van haar kleding. Ze wappert haar gele
plu zo goed mogelijk droog en stevent
naar binnen.
Nog drie minuten. Voor de draaihekjes
blijft ze staan om haar pasje uit haar
binnenzak op te diepen. Waar is dat ding
nou toch?
Na een paar paniekerige seconden voelt
ze het koude plastic kaartje tussen haar
vingers. Ze trekt het tevoorschijn en
schuift het in de automaat. Na de
bekende piep klapt ze het deurtje om en
haalt haar pasje aan de andere kant weer
uit de kast.
Nu nog twee minuten om op perron 5 te
komen. Shaya zet er flink de pas in,
maar omdat overal plasjes door
passagiers binnengebracht regenwater
liggen, moet ze oppassen niet uit te
glijden.
Om op perron 5 te komen moet ze eerst
nummer 3 helemaal over en dan een smalle
gang door. Als Shaya over perron 3 loopt,
bekruipt haar een onaangenaam gevoel.
Eventjes blijft ze staan en kijkt ze per
ongeluk recht in een paar helderblauwe
ogen. Shaya rilt. Wat is er toch met
haar? Waarom heeft ze dit gevoel? Of zou
het aan dat meisje liggen? Het jonge
kind aan wie de ogen toebehoren
glimlacht en keert zich dan om, om
verder te gaan met huppelen.
Shaya draait zich om en wil verder lopen.
Plotseling dendert er een metro over
haar netvlies. Een gil doet haar oren
suizen. Het begint haar te duizelen en
ze zakt door haar knieën. Een jonge
vrouw schiet op haar toe en helpt haar
overeind. “Gaat het?”
“Ja. Ja hoor,” mompelt Shaya. Ze maakt
zich uit de greep van de vrouw en loopt
door. Nog een keer kijkt ze naar het
meisje. Een steek schiet door haar hoofd,
als een vlieg die uit een bol wil
ontsnappen maar steeds tegen de muur
botst. Ze grijpt naar haar hoofd en de
jongen vrouw staat meteen weer achter
haar. “Weet je het zeker?”
Shaya knikt en loopt door.
De wereld lijkt te golven voor haar ogen,
maar zonder ongelukken weet ze perron 3
over te steken. Nog een minuutje voor
haar metro aankomt. Shaya wil het
gangetje naar perron 5 inlopen, maar een
onzichtbare kracht lijkt haat tegen te
houden. Het is alsof ze tegen een
onzichtbare muur botst.
“Au!” Shaya wrijft over haar pijnlijke
voorhoofd. Ze kijkt snel achterom of de
jonge vrouw er al weer aan komt, maar
dat is niet het geval. Iedereen staat
vol ongeduld op de metro te wachten, die
in de verte al te horen is.
Na een hele grote hap lucht loopt Shaya
door. Zonder problemen komt ze de gang
door, maar een kindergil gonst in haar
oren.
Net als ze perron 5 op loopt, komt de
metro tot stilstand. Shaya trekt een
sprintje en springt de metro in. Achter
haar sluiten de deuren en de metro komt
in beweging.
Dan klinkt opeens een kreet. De schreeuw
gaat door merg en been en bezorgt
iedereen die ‘m hoort kippenvel. Het
wordt zwart voor Shaya’s oren en ze
stort in elkaar.
Als ze bijkomt wappert een oude man haar
wat lucht toe met een opgerolde krant.
“Gaat het wat, meiske?”
Shaya krabbelt overeind. “Wat is er
gebeurd?”
“Je viel flauw,” begint de man, maar
Shaya schudt haar hoofd.
“Buiten. Die gil...”
“Oh. Dat… Dat weten we niet. De gil
weerklonk, jij viel flauw en de metro
stond plotseling stil. Dat is wat er
gebeurde en wat wij weten.”
Shaya knikt en laat zich op een bankje
helpen. Overal om haar ziet ze gespannen
gezichten. Het is nog nooit gebeurd dat
de metro zomaar stilstond. Er moet wel
echt iets aan de hand zijn...
Dan flitst het meisje weer voor Shaya’s
ogen langs. Voor haar ogen spat het
beeld van het meisje uit elkaar. “Nee...
Nee, dat kan niet. Dat wil ik niet!” Ze
schiet overeind en slaat tegen de dichte
deuren. “Laat me eruit! Dit kan niet
waar zijn!”
Een vrouw laat haar dochtertje even
alleen en grijpt Shaya bij de schouders.
Maar Shaya verzet zich woest.
"Laat me los, ik moet eruit. Ik moet er
naar toe. Helpen…" Maar dan realiseert
ze zich dat, als ze gelijk heet, er
niets meer te helpen valt.
De vrouw duwt haar zachtjes terug op het
bankje. Op haar knieën gaat zo voor het
meisje zitten. “Wat is er?”
“Ze is dood,” hikt Shaya. Tranen lopen
over haar wangen. “En ik had het kunnen
voorkomen. Ik wist het en heb niets
gedaan.”
Verward kijkt de vrouw omhoog naar de
oude man, die erbij is komen staan met
zijn krantje onder de arm. Hij haalt
zijn schouders op.
Anderhalf uur later worden de passagiers
uit de metro bevrijd. Er was een ongeluk
gebeurd, vertelde een agent, en de
bestuurder had alle stroom eraf gegooid.
De hele binnenstad had korte platgelegen.
“Zijn er slachtoffers gevallen?”
Shaya dringt zich naar voren en kijkt de
man vragend aan. “Hoe is het met het
meisje?”
“Hoe weet jij...” Verbaasd krabt hij aan
zijn neus.
“Het meisje,” dringt Shaya aan.
“Ze is dood.”
Het had net zo goed nog winter kunnen
zijn in plaats van lente. Als Shaya naar
huis loopt, danst een ijskoude wind door
haar kleren.
De agent had bevestigd wat zij al wist.
Het meisje was onder de metro gekomen.
Per ongeluk was ze te ver naar de rand
gehinkeld en zo de rail op gestruikeld.
Net toen de metro eraan kwam.
Shaya zucht heel diep. Je kon er niets
aan doen. Jij wist het niet. Het is een
ongeluk. Dit soort dingen gebeuren nou
eenmaal.
Maar in haar achterhoofd zit een
irritant stemmetje, dat haar berispt.
“Je wist het best. Je wist het zelfs
heel goed! Je had het kunnen voorkomen.
Jij! Jij en jij alleen.”
Shaya duwt haar handen tegen haar oren
en rent naar huis.
Daar zakt ze op het stoepje voor de deur
als ze ontdekt dat ze haar sleutels
vergeten heeft. Ach, dat kan er nog wel
bij.
Shaya veegt een verdwaalde traan uit
haar ooghoek, als er een agent voor het
tuinhekje verschijnt.
"Weet je het al?" vraagt hij, zijn
wenkbrauwen fronsend om haar tranen.
"Ja, ze is dood. Onder een metro gekomen,"
hakkelt Shaya.
De agent schudt zijn hoofd. "Ik kom voor
iets anders. Kunnen we even naar binnen?"
"Mijn ouders komen vast zo thuis. Ik heb
geen sleutel bij me," verontschuldigt
Shaya zich.
"Dan maar hier," schokschoudert de
agent. "Jij ben Shaya Wieders, toch?"
Shaya knikt en dan vervolgt de agent: "Ik
heb een droevige mededeling voor je. Je
moeder en je broertje Tygo zijn bij een
auto-ongeluk om het leven gekomen. Je
vader ligt zwaar gewond in het
ziekenhuis."
"Ach ja, dat moest er ook nog bij,"
reageert Shaya laconiek. Dan schiet ze
overeind. "Wat? Wat? Nee! Dat is niet
waar. Zeg dat het niet waar is." Ze
slaat de agent op zijn borst. "Hoe durf
je het zo'n gemene grap met me uit te
halen!" gilt ze. Dan verliest ze al haar
kracht en begint te huilen. De agent
probeert haar te troosten, maar ze duwt
hem ruw weg met hervonden kracht en rent
de straat op.
"Wacht!" roept de agent haar na, maar
Shaya reageert niet. Ze rent door over
de straat. Een passerende auto mist haar
op een haar na.
Shaya vliegt de straat uit, terug naar
de stad. Huilend strompelt ze door de
verregende straten.
Uiteindelijk komt ze bij het
metrostation aan. Daar waar alles begon,
twee uur geleden.
Was alles nou haar schuld? Waren haar
ouders en broertje blijven leven als
zijn het meisje had gered? Allerlei
gedachten rollen over elkaar in Shaya's
hoofd. Ze kan er niet meer wijs uit
worden.
Zonder er bij na te denken gaat ze naar
perron 3. Ze mag er niet op, het is
afgesperd. De politie is bezig met een
sporenonderzoek.
Er is een klein stukje afgeschermd om te
lopen, zodat de mensen toch nog op
perron 5 kunnen komen. Shaya loopt langs
het plastic en laat zich op een bankje
in een hoek vallen. Daar zakt ze weg in
een soort roes.
Een zacht schudden brengt Shaya weer op
de bewoonde wereld.
"Hé, alles O.K.?"
Langzaam opent Shaya haar ogen en kijkt
recht in een paar helder blauwe ogen.
Waar heeft ze die vandaag eerder gezien?
"Hallo? Hoe gaat het?"
De jongen die aan Shaya staat te
schudden wappert met zijn hand voor haar
ogen om haar aandacht te trekken.
"Ben jij dat meisje dat onder de metro
gekomen is?" murmelt Shaya, als ze zich
bedenkt waar ze de ogen gezien heeft.
Dan realiseert ze zich dat ze een jongen
voor zich heeft. "Oh, sorry. Ik bedoel:
haar broer?"
De jongen lacht kort en fel, dan betrekt
zijn gezicht. "Zoiets," zegt hij
mysterieus.
Shaya schiet overeind. "Het spijt me, ik
kon er niets aan doen?"
De jongen fronst zijn wenkbrauwen. "Het
was een ongeluk. Dat weet jij net zo
goed als ik. Toch?"
Shaya knijpt haar handen samen tot
vuisten en haalt diep adem. "Het was een
ongeluk," herhaalt ze, vooral voor
haarzelf.
"Net als dat van je ouders en je
broertje."
Shaya schrikt. Hoe kan hij dat weten? "Wat
weet jij over mijn ouders en Tygo?"
"Dat doet er nu niet toe. Maar als jij
één kleine handeling had uitgevoerd, zou
alles nu anders zijn."
"Wat dan?" Shaya schiet overeind. "Welke
handeling? Kan dat nog?"
"Ja, welke… En of dat nu nog kan… Ik
weet het niet. Laten we het uitproberen,"
lacht de jongen geheimzinnig. Hij buigt
zich naar haar toe en kust haar zacht op
haar lippen.
Plotseling vervaagt alles om haar. Een
groot licht straalt om Shaya heen en een
frisse geur prikkelt haar neus. Het
lijkt alsof een lentewind het perron
opgedarteld komt en Shaya in zijn spel
meetrekt.
"Vermijd de Koningslaan!" hoort ze de
jongen nog zeggen.
"Dag…," mompelt ze tegen de jongen. "Tot
later… Misschien…"
De
regendruppels trommelen een steeds
sneller wordend ritme op het plastic van
de paraplu. Shaya rent op de maat naar
het metrostation.
Het is maar twee straten van de
muziekschool naar het station, maar
genoeg om doornat te worden.
Als een jonge hond schudt Shaya in de
portiek dikke druppels uit haar haar en
van haar kleding. Ze wappert haar gele
plu zo goed mogelijk droog en stevent
naar binnen.
Nog drie minuten. Voor de draaihekjes
blijft ze staan om haar pasje uit haar
binnenzak op te diepen. Waar is dat ding
nou toch?
Na een paar paniekerige seconden voelt
ze het koude plastic kaartje tussen haar
vingers. Ze trekt het tevoorschijn en
schuift het in de automaat. Na de
bekende piep klapt ze het deurtje om en
haalt haar pasje aan de andere kant weer
uit de kast.
Nu nog twee minuten om op perron 5 te
komen. Shaya zet er flink de pas in,
maar omdat overal plasjes door
passagiers binnengebracht regenwater
liggen, moet ze oppassen niet uit te
glijden.
Om op perron 5 te komen moet ze eerst
nummer 3 helemaal over en dan een smalle
gang door. Als Shaya over perron 3 loopt,
bekruipt haar een onaangenaam gevoel.
Eventjes blijft ze staan en kijkt ze per
ongeluk recht in een paar helderblauwe
ogen. Shaya rilt. Wat is er toch met
haar? Waarom heeft ze dit gevoel? Of zou
het aan dat meisje liggen? Het jonge
kind aan wie de ogen toebehoren
glimlacht en keert zich dan om, om
verder te gaan met huppelen.
Shaya draait zich om en wil verder lopen.
Plotseling dendert er een metro over
haar netvlies. Een gil doet haar oren
suizen. Het begint haar te duizelen en
ze zakt door haar knieën. Een jonge
vrouw schiet op haar toe en helpt haar
overeind. “Gaat het?”
“Ja. Ja hoor,” mompelt Shaya. Ze maakt
zich uit de greep van de vrouw en loopt
door. Nog een keer kijkt ze naar het
meisje. Een steek schiet door haar hoofd,
als een vlieg die uit een bol wil
ontsnappen maar steeds tegen de muur
botst. Ze grijpt naar haar hoofd en de
jongen vrouw staat meteen weer achter
haar. “Weet je het zeker?”
Shaya knikt en loopt door. Ze stevent
recht op het meisje af.
"Hallo, hoe gaat het met jou?" vraagt ze
vriendelijk.
Het meisje glimlacht breed. "Goed, hoor!
Ik ga met mamma naar oma. Die is jarig
vandaag."
"Wat leuk. Heb je een cadeautje mee?"
"Ja, Ik heb op school een hele mooie
tekening gemaakt."
Dan komt de metro vanuit de donkere gang
aangereden. Het meisje draait zich
vrolijk om: "De metro is er, mam!" roept
ze. Maar in de draai verliest ze haar
evenwicht.
Zonder na te denken grijpt Shaya het
meisje bij beide armen en trekt haar met
een ruk naar zich toe. Ze verliest zelf
ook haar evenwicht, maar de andere kant
uit. Ze komt op haar billen terecht en
heeft het meisje veilig in haar armen.
De metro stopt. De moeder van het meisje
werpt Shaya een wantrouwige blik toe als
ze het meisje bij de hand neemt. Ze
heeft niet gezien wat er gebeurd is en
trekt het meisje snel mee, weg bij Shaya.
Samen stappen ze de metro is, die dan
weer vertrekt.
Nog heel even ziet Shaya een zwaaiend
handje, dan is het voorbij.
Shaya staat op. Ze rent het smalle
gangetje door en is nog net op tijd voor
haar ondergrondse. Ze suist naar haar 'eigen'
station en rent het laatste stukje naar
huis.
"Mam!"
"Shaya!" Moeder staat in de tuin met de
viool van Tygo. "We stonden op het punt
om weg te gaan."
"Mooi. Ik ga mee." Shaya gooit haar tas
door de geopende deur naar binnen.
Met z'n vieren vertrekken ze naar Tygo's
muziekconcours.
Twee uur later zitten ze weer in de
auto, op weg naar huis. De
prijsuitreiking is pas later, dus gaan
ze thuis eerst even wat eten.
"Het was prachtig, hoor Tygo," zegt
moeder.
Tygo glimlacht breed en streelt zijn
viool.
"Je bent best goed, hoor broertje," zegt
Shaya. Haar broertje heeft echt een
talent op dit gebied. Wat dromerig
staart ze naar buiten. Plotseling valt
haar oog op het straatnaambordje.
"Vermijd de Koningslaan!" hoort ze de
stem van de jongen in haar hoofd.
Ze schiet overeind en houdt alles om hen
heen nauwgezet in echt oog. Dan ziet ze
een vrachtwagen, die met en redelijke
snelheid door een zijstraat rijdt.
"Pappa! Pas op! Remmen!" gilt Shaya.
Geschrokken trapt haar vader op de rem
en piepend komt de auto tot stilstand.
"Shaya…" Vader wil zich omdraaien, als
de vrachtwagen tegen de voorbumper van
de auto stoot. De vrachtwagen stoomt
door, de kleine personenauto tolt
tweemaal om zijn as en komt dan tot
stilstand tegen een tuinhekje.
Alle vier de leden van het gezin halen
een keer heel diep adem en stappen uit.
"Dat was op het nippertje," verzucht
vader.
"Dankzij Shaya," mompelt moeder, terwijl
ze haar slapen masseert.
De eigenaren van het huis waarbij het
tuinhekje hoort komen naar buiten en
raken aan de praat met vader en moeder.
Tygo neemt de schade op aan zijn
vioolkist, die tijdens het draaien tegen
het portier geslagen is.
Shaya leunt tegen de autodeur. Hoe wist
ze dit toch?
"Het is je gelukt!" klinkt opeens een
enthousiaste stem en Shaya kijkt in een
paar helderblauwe ogen. De jongen komt
haar vaag bekend voor, maar ze kan hem
niet plaatsen.
"Wat is me gelukt?"
De jongen glimlacht en schudt zijn hoofd.
"Laat maar. Het is zo goed." Dan draait
hij zich om en loopt weg.
"Wie ben je?" roept Shaya hem achterna.
Nog even draait hij zich om: "Hou het
maar op een beschermengel…" Dan lacht
hij vrolijk en loopt verder, terwijl hij
langzaam vervaagt.

Meer kinderverhalen zijn te lezen op:
Kinderverhalen
|
 



| |
| | |