.

 

 

Inleiding
Hoewel ongeveer 1 op de 150 mensen epilepsie heeft, is er toch bij de meeste mensen weinig over deze aandoening bekend. Behalve een grote aanval, heeft men veelal nog nooit andere uitingen van epilepsie gezien. Epilepsie kan zich namelijk op heel verschillende manieren openbaren. De zogenoemde absence bijvoorbeeld, is een aanvalsvorm die aan de omgeving geheel onopgemerkt voorbij kan gaan.

Het kenmerkende verschijnsel van epilepsie is het plotselinge karakter van de aanval. Sommige aanvallen kunnen er vreemd en soms angstaanjagend uitzien. Omstanders reageren vaak met schrik of paniek; soms lopen mensen zelfs weg als ze zien dat iemand een aanval heeft. Een dergelijke reactie is, hoewel begrijpelijk, niet nodig en bovendien erg vervelend voor degene die een aanval heeft, omdat de kans bestaat dat hij of zij zich tijdens een aanval verwondt. Bij sommige aanvallen is de hulp van anderen zeker nodig. In zo'n geval is het goed als ouders, familie, vrienden of omstanders hulp kunnen bieden, en weten wat ze moeten doen.
 


Wat is epilepsie eigenlijk?
Ieder mens wordt door zijn hersenen gestuurd in al zijn denken en doen. Zonder die aansturing kunt u uw ledematen niet bewegen en kunt u ook niet horen, zien, voelen, ruiken of zelfs maar ademhalen. Hersenen bestaan uit miljarden zenuwcellen, die constant boodschappen aan elkaar doorgeven via elektrische stroompjes (impulsen) en chemische stoffen (neurotransmitters). Als dit systeem op de een of andere manier verstoord raakt, kan er een soort 'kortsluiting' ontstaan. Een aanval is dus een plotselinge kortsluiting of storing in de hersenen, waardoor het normale functioneren tijdelijk verstoord raakt. Iemand heeft pas epilepsie als hij of zij regelmatig last heeft van dit soort storingen. De plaats in de hersenen waar de storingen beginnen, hoe ze zich verspreiden en hoe snel deze uitbreiding verloopt, bepalen het patroon van een aanval.


Wat kan de oorzaak zijn van epilepsie?
Het is niet altijd duidelijk waardoor iemand epilepsie heeft gekregen, maar er zijn in het algemeen wel verschillende oorzaken aan te wijzen voor het ontstaan ervan. Die oorzaak kan liggen in een hersenletsel. Zo'n hersenletsel kun je op verschillende manieren oplopen:

Al voor de geboorte kan een kind als gevolg van infecties (hersen)-problemen oplopen, die later tot epilepsie kunnen leiden; ook door zuurstofgebrek bij een moeilijke geboorte kunnen kleine beschadigingen in de hersenen optreden. Deze kun je meestal niet zien, maar soms betekent zo'n beschadiging toch wel een overgevoeligheid voor aanvallen, waardoor (vaak pas later) epilepsie kan optreden.
Veel duidelijker hersenletsel wordt opgelopen na een zware hersenschudding of een hersenbeschadiging na een ongeval of na een hersenvliesontsteking; deze beschadigingen kunnen ook epilepsie venoorzaken. Bij oudere mensen kunnen door een henseninfarct (verstopping van een hersenbloedvat) of hersenbloeding problemen ontstaan, die (ook) tot epilepsie leiden. Een hersentumor kan eveneens epilepsie veroorzaken. Daarnaast is er, zoals gezegd, een groep mensen bij wie de oorzaak van hun epilepsie niet goed vast te stellen is, maar bij wie toch op grond van de aanvalsbeschrijving de diagnose epilepsie gesteld kan worden.

 


Is epilepsie erfelijk?
Heel vaak krijgt iemand dus epilepsie zonder dat hiervoor een duidelijke oorzaak aanwezig is. Dan kan erfelijke aanleg een rol spelen. Dat wil zeggen: sommige mensen hebben een grotere aanleg om epilepsie te krijgen dan anderen. Die aanleg tot het krijgen van epilepsie kan dan erfelijk zijn.
Toch hoeft epilepsie over het algemeen geen belemmering te zijn om te trouwen en kinderen te krijgen. De kans dat de kinderen van iemand met epilepsie ook epilepsie krijgen, is nauwelijks groter dan de kans die iedereen heeft om epilepsie te krijgen. Als beide ouders epilepsie hebben is die kans echter wel groter.

Hoe wordt vastgesteld of iemand epilepsie heeft?
Het eerste vermoeden van epilepsie ontstaat hij het waarnemen van een aanval. Maar er zijn ook aanvallen die veel op epilepsie lijken, maar het niet zijn; flauwvallen bijvoorbeeld, of hyperventilatie, een hartaanval of een hypoglycaemie Een goede manier om erachter te komen of iemand werkelijk epilepsie heeft, is het zogenaamde EEG-onderzoek (EEG betekent: Electro-Encefalo-Gram). Een deskundige meet dan de elektrische activiteit in de hersenen. Een storing in die activiteit zou kunnen wijzen op epilepsie.

Daarnaast worden er nog andere onderzoeken gedaan, bijvoorbeeld gericht op het opsporen van een eventuele oorzaak. Maar het zou te ver voeren om daar hierin uitgebreid op in te gaan. Aparte informatie over de verschillende onderzoeken is verkrijgbaar bij het

Epilepsie Informatiecentrum.
De Molen 35
3994 DA Houten
telefoon 030 - 63 440 63
 


Hoe zien de hersenen eruit?
De hersenen bestaan uit een aantal belangrijke onderdelen. Het meest opvallend zijn de grote hersenen. Deze bestaan uit twee helften of hemisferen, elk opgebouwd uit een aantal kwabben. Onder de grote hersenen zitten de kleine hersenen. Tussen de grote en kleine hersenen zit de hersenstam. De hersenstam verbindt de verschillende hersendelen en gaat via het verlengde merg over in het ruggenmerg.



Op een doorsnede van de hersenen zijn door hun kleurverschil duidelijk twee lagen te onderscheiden. De buitenkant van zowel de grote als de kleine hersenen bestaat uit 'grijze stof', ofwel hersenschors. In deze grijze stof zitten miljarden hersencellen. Eronder zit de witte stof. Die is grotendeels opgebouwd uit verbindingsvezels met isolatiemateriaal. Dit isolatiemateriaal bestaat weer uit cellen die veel vettige stoffen bevatten en er daardoor wit uitzien. Er lopen verbindingsvezels door de hersenstam en het verlengde merg naar het ruggenmerg om opdrachten naar de rest van het lichaam te zenden en om informatie te ontvangen. Een belangrijk deel van de informatie van buitenaf komt de hersenen binnen via de hersenzenuwen vanuit de zintuigen in het hoofd. Tot de hersenzenuwen behoren onder andere de reukzenuw, de oogzenuw en de gehoorzenuw. Via het ruggenmerg komt de informatie binnen vanuit de rest van het lichaam.



Het overbrengen van informatie van de ene zenuw op de andere gebeurt door middel van afgifte van chemische boodschappers (neurotransmitters, ofwel zenuwoverbrengers) in de synaps. In het zendende zenuwuiteinde bevinden zich kleine blaasjes, met daarin een kleine hoeveelheid neurotransmitter. Er zijn prikkelende en remmende neurotransmitters. Wanneer er een zenuwimpuls door de zenuw loopt en het uiteinde bereikt, springen die blaasjes open en komen de neurotransmitters via de wand van het zenuwuiteinde in de synaptische spleet terecht. Op het oppervlak van de andere zenuw bevinden zich de zogeheten receptoren ofwel ontvangers.

 

Wanneer een zenuwcel veel prikkelende signalen en weinig remmende signalen ontvangt, komt er een moment dat hij gaat ontladen. De elektrische spanning van het celoppervlak verandert dan van negatief naar positief. Deze verandering verspreidt zich snel over de zenuwcel en al zijn uitlopers (in duizendsten van een seconde) en herstelt zich ook weer snel. Aan de uiteinden van de uitlopers van de zenuwcel worden door de elektrische ontlading in de synapsspleten neurotransmitters uitgestoten. Voor iedere zenuwcel is dat één soort neurotransmitter. Er zijn dus zenuwcellen die andere zenuwcellen stimuleren, maar er zijn ook zenuwcellen die andere zenuwcellen juist remmen om te gaan ontladen. Het gaat om een ingewikkeld evenwicht tussen de prikkelende en remmende invloeden waaraan iedere zenuwcel blootstaat. Verstoring van dit evenwicht kan leiden tot epilepsie.


Enkele belangrijke stimulerende (prikkelende) neurotransmitters zijn noradrenaline en dopamine.
Enkele belangrijke inhiberende (remmende) neurotransmitters zijn serotonine en gamma-aminoboterzuur (GABA).
Veel geneesmiddelen tegen epilepsie hebben invloed op de neurotransmitters. Het zijn stoffen die erg veel lijken op neurotransmitters, een soortgelijke werking hebben of de productie dan wel afbraak ervan beïnvloeden. Er zijn ook anti-epileptica die niet werken via de neurotransmitters, maar langs een andere weg invloed uitoefenen op de celmembraan van de zenuwcel.


Soorten onderzoek


Elektro-encefalogram
Het EEG is een onderzoek waarbij met een apparaat de elektrische activiteit van de hersenschors wordt gemeten. Op de schedelhuid worden elektroden - verzilverde metalen plaatjes - geplakt op vaste plaatsen. Om een goede elektrische verbinding tot stand te brengen, wordt tussen de elektroden en de schedelhuid een zoute pasta gespoten.
Via draden zijn de elektroden verbonden met het EEG-toestel dat de spanningsverschillen tussen de elektroden meet en weergeeft in een lijn op papier: de EEG-curve. Het standaard EEG bestaat uit zestien lijnen die ieder het spanningsverschil tussen twee punten op de schedelhuid weergeven. Dit spanningsverschil is afkomstig van de hersencellen in de hersenschors. Het normale EEG laat een aantal typische ritmen zien, ieder op zijn eigen plaats op de schedel. Door de hypersynchronisatie tijdens epileptische aanvallen, gaan grote groepen hersencellen gelijktijdig opladen en ontladen. Dit levert grotere spanningsverschillen op dan normaal het geval is. Op het EEG zijn dan pieken of piekgolfcomplexen te zien met een heel typisch en goed herkenbaar patroon.
Deze EEG-afwijking kan plaatselijk zijn; dan is er sprake van partiële (plaatsgebonden) vormen van epilepsie. Bij gegeneraliseerde (niet-plaatsgebonden) vormen van epilepsie treedt de afwijking algemeen op alle EEG-kanalen tegelijkertijd op. Voor de indeling van de aanvallen is dit verschil belangrijk. Zelfs tussen de aanvallen door zijn vaak kortdurende epileptische ontladingen te zien. Als een dergelijk EEG-patroon wordt gevonden bij iemand met bijpassende aanvallen, bevestigt dit de diagnose epilepsie.

Standaard EEG
Een standaard EEG is een EEG-onderzoek dat altijd wordt uitgevoerd als het vermoeden bestaat dat iemand epilepsie heeft. Het onderzoek vindt plaats terwijl iemand zit of ligt. Het duurt ongeveer vijftien minuten. Tijdens dit EEG moet de persoon zuchten en in een flitsende lamp kijken. Dit zijn provocatiemethoden om epileptische verschijnselen op te wekken.

Slaap-EEG
Mocht een standaard EEG onvoldoende opleveren, dan kan een EEG tijdens de slaap worden gemaakt. Vooral bij mensen die in hun slaap aanvallen hebben, kan een dergelijk EEG afwijkingen laten zien die in waaktoestand niet worden gevonden.

EEG na slaaponthouding
Bij mensen die mogelijk epilepsie hebben, terwijl het standaard EEG en het slaap-EEG geen resultaten laten zien, kan een EEG na slaaponthouding worden gemaakt. Deze personen moeten een nacht wakker blijven en vallen daarna 's ochtends in een diepe slaap, terwijl een EEG wordt gemaakt. Deze provocatiemethode werkt krachtiger dan een slaappil: er kunnen zo aanvallen worden uitgelokt. Er zijn twee mogelijkheden om een dergelijk EEG te maken: thuis wakker blijven met hulp van huisgenoten of een nacht opblijven in het ziekenhuis met hulp van de verpleging.

Langdurige registratie
Soms is het nodig om een EEG tijdens een aanval te maken. In epilepsiecentra en sommige academische ziekenhuizen bestaat de mogelijkheid om langdurige EEG's te maken onder videobewaking, zodat aanvallen nauwkeurig kunnen worden onderzocht. Het EEG kan tegelijk met de video-opname worden beoordeeld. Meestal duurt zo'n registratie 24 uur, maar het is ook mogelijk - afhankelijk van de aanvalsfrequentie - deze langer of korter te laten duren. De persoon is via een lang telefoonsnoer verbonden met het EEG-toestel, zodat hij kan zitten, lopen en slapen.

Cassette-EEG
Een cassette-EEG is een vorm van langdurige registratie met behulp van een kleine bandrecorder die het EEG-signaal opvangt. Iemand kan met dit apparaatje thuis of in het ziekenhuis vrij rondlopen. Tijdens een aanval drukt de persoon zelf of iemand anders op een knopje, waardoor naderhand het EEG van dat moment goed terug te vinden is. Een nadeel van deze methode is dat slechts een klein aantal EEG-kanalen kan worden gebruikt. Bovendien is de cassette-EEG nogal storingsgevoelig.

EEG met diepte-elektroden
Ter voorbereiding op een operatie moet meer nauwkeurige informatie beschikbaar zijn. De neurochirurg brengt dan elektroden via een opening in de schedel tot vlakbij de plaats in de hersenen die mogelijk verantwoordelijk is voor de aanvallen. De aanvallen worden vervolgens geregistreerd op zowel het EEG als video in een EEG-laboratorium.

Magneto-EEG (MEG)
Het magneto-EEG is een experimentele techniek die de elektrische activiteit van de hersenen registreert. Zeer gevoelige ontvangers meten de veranderingen van het magnetisch veld rondom de hersenen. Met deze techniek leeft de hoop eveneens hersendelen te kunnen onderzoeken die bij het normale EEG niet goed bereikbaar zijn.
 


Beeldvormende technieken
Nadat is vastgesteld dat iemand epileptische aanvallen heeft, komt de vraag naar de oorzaak aan de orde. Soms is daar, door het soort aanval en het EEG, al een antwoord op te geven. Is dit niet het geval, dan moet er aanvullend onderzoek worden verricht. Diverse methoden die een afbeelding geven van de bouw (anatomie) van de hersenen - en soms de werking ervan - vormen een belangrijk onderdeel van aanvullend onderzoek. Levert bijvoorbeeld het EEG geen duidelijke bevestiging van de diagnose, dan kan een anatomische afwijking op een plek die overeenkomt met de verschijnselen tijdens een aanval, alsnog een bevestiging geven.

CT-scan
De computertomografie of CT-scan is een methode die werkt met röntgenstralen. Een röntgenlamp wordt in het CT-apparaat rond het hoofd gedraaid. Tegenover deze lamp worden de röntgenstralen die door het hoofd heen gaan, weer opgevangen in speciale gevoelige cellen die de intensiteit (dichtheid) meten. Afhankelijk van de dichtheid van de weefsels en de weg die moet worden afgelegd, komt er meer of minder röntgenstraling door het hoofd. Een computer verzamelt al deze metingen en maakt er een afbeelding van. Ieder plaatje vormt een dwarsdoorsnede van hoofd en hersenen. Een serie van dit soort doorsneden geeft een goede indruk van hoe de hersenen eruitzien. Met deze methode kunnen bloedvatmisvormingen, gezwellen en bloedingen goed worden herkend.

MRI-scan
De MRI-scan (Magnetic Resonance Images) werkt niet met röntgenstralen, maar met radiogolven. De persoon ligt kortdurend in een sterk magneetveld.
Iedere atoom of molecuul in het menselijk lichaam is als een heel klein losliggend magneetje te beschouwen. Het magneetveld van het MRI brengt al deze magneetjes even in dezelfde richting, net zoals gebeurt met de naald van een kompas. Ieder soort atoom of molecuul heeft zijn eigen tijd nodig om weer terug te keren naar de oorspronkelijke positie. De grote magnetische spoel in het MRI wordt gebruikt als een antenne om dit te meten, waarna de gegevens van een groot aantal metingen worden verwerkt in een computer. Als resultaat geeft de computer een serie dwarsdoorsneden van hoofd en hersenen, net als bij de CT-scan.
Het voordeel van de MRI-scan is dat magneetgolven even gemakkelijk botten passeren als andere weefsels. Voor röntgenstralen geldt dat niet: bot houdt dit soort straling heel sterk tegen. Het gevolg is dat de CT-scan minder goede beelden geeft van hersengedeelten waar erg veel bot omheen zit - de kleine hersenen - of die er erg dicht tegenaan liggen - de slaapkwab. Voor epilepsie is een MRI-scan in vrijwel alle gevallen te verkiezen boven een CT-scan.

PET-scan
De PET-scan is een onderzoeksmethode die gebruikmaakt van positronen. Positronen zijn deeltjes die ongeveer even groot zijn als elektronen, alleen hun lading is positief in plaats van negatief. Zij komen vrij bij het uit elkaar vallen van radioactieve stoffen. Botst een positron tegen een elektron, dan vernietigen zij elkaar en blijft er alleen wat radioactieve straling over. Deze radioactieve straling kan worden gemeten. Met behulp van computers kan worden berekend welk hersendeel deze straling heeft uitgezonden.
Om een PET-scan te kunnen maken, zijn radioactief gemerkte stoffen nodig met een erg korte levensduur. Meestal wordt radioactief gemerkte glucose of zuurstof gebruikt. Deze stoffen worden, net als de niet gemerkte stoffen, opgenomen in de hersencellen. Actievere hersencellen nemen er meer van op dan minder actieve cellen. Op deze manier kan tegenwoordig een epileptische haard worden gevonden. Omdat de levensduur van de stoffen hooguit enkele uren bedraagt, kan dit onderzoek alleen worden gedaan op een plaats waar een apparaat staat dat radioactief gemerkte stoffen maakt. Deze onderzoeksmethode wordt alleen toegepast als voorbereiding op een hersenoperatie voor epilepsie.

SPECT-scan
De SPECT-scan is vergelijkbaar met de PET-scan. Hij is minder nauwkeurig, maar kan op veel meer plaatsen worden uitgevoerd. Toch wordt deze SPECT-scan slechts op beperkte schaal toegepast voor epilepsiediagnostiek.

 

 

Pagina 1     Pagina 2     Pagina 3     Pagina 4

 

 

Bronnen:

Epilepsie

Spreekuur Thuis