|
.

In Nederland wordt per jaar bij ongeveer 700 mensen strottenhoofdkanker vastgesteld. Strottenhoofdkanker komt voornamelijk voor bij mannen. De laatste jaren wordt de ziekte in toenemende mate ook bij vrouwen vastgesteld.
De leeftijd waarop strottenhoofdkanker bij mannen meestal wordt ontdekt ligt tussen de 50 en 70 jaar. Vrouwelijke patiënten zijn doorgaans vijf tot tien jaar jonger.
Verschillende typen
Meestal ontwikkelt strottenhoofdkanker zich vanuit het (slijmvlies van het strottenhoofd). De plaats van de tumor in het strottenhoofd bepaalt in belangrijke mate welke (klachten) iemand krijgt, hoe het (ziekteverloop) zal zijn en welke (behandeling) mogelijk is.
Bij ongeveer tweederde van de patiënten ter hoogte van de ware stembanden: een glottische tumor.
Bij bijna eenderde van de patiënten komt de tumor voor in het gebied boven de stembanden. Het gaat dan om een supraglottische tumor.
Bij een gering aantal patiënten bevindt de tumor zich in het gebied onder de stembanden, een subglottische tumor.
Soms komt het voor dat ergens anders in het hoofd/ hals gebied een tweede of derde tumor zit. Dit zijn geen uitzaaiingen maar verschillende tumoren, men noemt dit ook wel dubbeltumoren.
Voorstadia van strottenhoofdkanker
In het weefsel van het strottenhoofd kunnen veranderingen optreden die, als u daarvoor niet wordt behandeld, kunnen ontaarden in strottenhoofdkanker. Deze weefselveranderingen worden voorstadia genoemd. Zij kunnen tot uiting komen als een chronische irritatie van de stembanden en geven vergelijkbare (klachten) als strottenhoofdkanker.
De kans op het ontstaan van dergelijke veranderingen wordt, net als bij strottenhoofdkanker, vergroot door (roken) en overmatig alcoholgebruik. Na behandeling en als u niet meer rookt en geen alcohol meer drinkt, is de kans op terugkeer van de voorstadia minimaal.
Hoe strottenhoofdkanker precies ontstaat, is nog onbekend. Wel zijn er risicofactoren bekend die de kans op het ontstaan van strottenhoofdkanker doen toenemen.
Het staat vast dat roken en vooral het inhaleren van rook van sigaretten en sigaren de kans op deze soort kanker sterk vergroot. Overmatig alcoholgebruik vergroot vooral de kans op een supraglottische tumor. Alcohol en rook versterken elkaars negatieve werking. Daarnaast zijn er aanwijzingen dat het inhaleren van bepaalde prikkelende stoffen zoals asbest, sommige dampen van metalen en chemicaliën kan bijdragen tot het ontstaan van strottenhoofdkanker. Ook kan blootstelling aan radio-actieve straling een rol spelen bij het ontstaan van deze soort kanker.
Als een voorstadium van strottenhoofdkanker niet behandeld wordt, kan dit ontaarden in strottenhoofdkanker.
Strottenhoofdkanker is, evenals alle andere soorten kanker is strottenhoofdkanker, niet besmettelijk. Het slijm dat iemand met strottenhoofdkanker ophoest, vormt geen enkel risico.
Er zijn geen duidelijke aanwijzingen dat erfelijke factoren een rol spelen bij het ontstaan van strottenhoofdkanker. Mogelijk is wel de aanleg om door alcoholgebruik en roken strottenhoofdkanker te krijgen erfelijk bepaald.
De klachten die u van strottenhoofdkanker kunt krijgen, zijn afhankelijk van de plaats van de tumor.
Een glottische tumor (een tumor op de stembanden) geeft als eerste klacht aanhoudende heesheid. Doordat zelfs zeer kleine tumoren heesheid als klacht geven, kan deze vorm van strottenhoofdkanker meestal vroegtijdig worden ontdekt.
Supraglottische tumoren kunnen vage keelklachten veroorzaken, zoals pijn bij het slikken of een droge of rauwe keel. Ook kunt u het gevoel hebben een brok in de keel te hebben of kunt u zich veelvuldig verslikken.
Subglottische tumoren veroorzaken in eerste instantie vage hoestklachten. Bij doorgroei naar de stembanden kan heesheid ontstaan. Als de tumor groter wordt, krijgt u last van kortademigheid.
Een tumor kan leiden tot een uitstralende, aanhoudende pijn naar de oorregio. Een grote tumor kan, ongeacht de plaats, klachten geven als kortademigheid, veel slijm in de keel en slikklachten. Heesheid is een klacht die bij verschillende aandoeningen kan optreden. Lang niet elke heesheid wordt veroorzaakt door een tumor in het strottenhoofd.
In elk geval is het verstandig om met heesheid die langer duurt dan drie weken naar de huisarts te gaan. Dit geldt ook voor de andere hierboven genoemde klachten die niet overgaan.
Als u met één of meer van de eerdergenoemde klachten naar de huisarts gaat, zal deze u eerst lichamelijk onderzoeken. Uw arts kan u medicijnen voorschrijven. Dit kan een hoestdrank zijn, maar ook een slijmoplossend middel of eventueel antibiotica. Als er na een week nog geen verbetering is opgetreden, is het absoluut noodzakelijk om weer contact op te nemen met uw huisarts. Deze kan u zo nodig verwijzen naar een keel-, neus- en oorarts (KNO-arts).
Deze specialist zal meer uitgebreid onderzoek doen om vast te stellen of de klachten veroorzaakt worden door strottenhoofdkanker.
De volgende onderzoeken kunnen plaatsvinden:
Spiegelen
De KNO-arts zal eerst nader onderzoek aan uw keel verrichten, het zogenoemde keelspiegelen. Hiervoor gebruikt de arts een spiegel vergelijkbaar met een tandartsspiegeltje met een lang handvat. U zit rustig in een stoel. De arts vraagt u uw tong uit te steken en pakt de uitgestoken tongpunt met een gaasje vast. Vervolgens vraagt hij u rustig door de mond in en uit te ademen en brengt dan het spiegeltje in. Op die manier kan de specialist de ingang van het (strottenhoofd en de stembanden) zien.
Flexibele (buigzame) laryngoscopie
Tegenwoordig wordt het spiegelen steeds vaker vervangen door een flexibele laryngoscopie. De scoop is een dun slangetje dat via de neus wordt ingebracht. Hiervoor kunt u een plaatselijke verdoving krijgen, maar dit is meestal niet nodig. U zit tijdens het onderzoek op een stoel en ademt zo rustig mogelijk door. De arts kijkt vervolgens door een kijkertje aan het einde van de scoop en kan zo goed de mond- en keelholte inspecteren.
Stroboscopie
Door middel van een stroboscopie kan het strottenhoofd nauwkeuriger geïnspecteerd worden. Dit onderzoek is vooral belangrijk om de trillingsfunctie van de stembanden te kunnen beoordelen. Uw keel wordt plaatselijk verdoofd om hoestprikkels en andere reflexen tegen te gaan. Vervolgens brengt de arts, via de mond, de stroboscoop in tot achter in de keel. Wanneer u spreekt kan de arts de stembanden zien trillen.
Röntgenonderzoek
Met behulp van röntgenfoto's kan nadere informatie worden verkregen over de uitgebreidheid van de tumor.
CT-scan (computertomografie)
Een computertomograaf is een apparaat waarmee organen en/of weefsels zeer gedetailleerd in beeld worden gebracht. Bij het maken van een CT-scan wordt gelijktijdig gebruikgemaakt van röntgenstraling en een computer.
Het apparaat heeft een ronde opening waar u, liggend op een beweegbare tafel, doorheen wordt geschoven. Terwijl de tafel verschuift, maakt het apparaat een serie foto's waarop telkens een ander 'plakje' van het orgaan of weefsel staat afgebeeld. Deze 'doorsneden' geven een beeld van de plaats, grootte en uitbreiding van de (mogelijke) tumor en/of uitzaaiingen.
Vaak is een contrastvloeistof nodig. Meestal krijgt u deze vloeistof tijdens het onderzoek in een bloedvat van uw arm gespoten. Contrastvloeistof kan een warm en weeïg gevoel veroorzaken. Sommige mensen worden er een beetje misselijk van. Om ervoor te zorgen dat u hier zo min mogelijk last van heeft, is het advies enkele uren voor het onderzoek niet te eten en te drinken.
MRI (Magnetic Resonance Imaging)
Bij deze onderzoeksmethode wordt gebruikgemaakt van een magneetveld in combinatie met radiogolven en een computer. De techniek maakt 'dwars- of lengtedoorsneden' van het lichaam zichtbaar, waardoor een eventuele tumor en/of uitzaaiingen in beeld komen.
Tijdens dit onderzoek ligt u in een soort koker. Sommige mensen ervaren het onderzoek daardoor als benauwend
Een MRI-apparaat maakt nogal wat lawaai. Hiervoor krijgt u oordopjes in; soms kunt u naar (uw eigen) muziek luisteren. Via de intercom blijft altijd contact bestaan tussen u en de laborant, die tijdens het onderzoek in een andere ruimte is. Soms wordt tijdens het onderzoek via een ader in uw arm een contrastvloeistof toegediend.
Thoraxfoto's
Om na te gaan of er afwijkingen in de longen zijn, worden er thoraxfoto's gemaakt. Dit zijn 'gewone' röntgenfoto's van de longen. Meestal gaat het om twee overzichtsfoto's. Een van voor naar achteren en een van opzij.
Bij uitgebreide tumoren en halsklierzwellingen wordt meestal direct een CT-scan van de longen gemaakt, omdat de verdenking van uitzaaiingen groot is. Een CT-scan geeft dan een beter beeld daneen thoraxfoto.
Echografie met punctie van de halsklieren
Echografie is een onderzoek met behulp van geluidsgolven. Deze golven zijn niet hoorbaar, maar de weerkaatsing (echo) ervan maakt organen en/of weefsels zichtbaar op een beeldscherm.
Een eventuele tumor en/of uitzaaiingen kunnen zo in beeld worden gebracht. Tijdens het onderzoek ligt u op een onderzoektafel. Nadat op uw huid een gelei is aangebracht, wordt daarover een klein apparaat bewogen dat geluidsgolven uitzendt. De afbeeldingen op het beeldscherm kunnen op foto's worden vastgelegd.
Echografie is een eenvoudig, niet belastend onderzoek.
Als er bij dit onderzoek (lymfeklieren) te zien zijn die mogelijk (uitzaaiingen) bevatten, wordt tijdens de echografie een punctie gedaan. De arts brengt dan een naald in de desbetreffende lymfeklier om weefselcellen op te zuigen. Het prikken en manouvreren met de naald kan even pijnlijk zijn. Op een beeldscherm ziet de arts precies wat hij doet. Vooraf kan uw huid plaatselijk worden verdoofd, maar dit is niet altijd nodig.
Het weggenomen weefsel wordt in het laboratorium door een andere specialist, een patholoog, nader onderzocht. Het duurt enkele dagen voordat de uitslag van dit onderzoek bekend is.
Echografie is een eenvoudig, niet belastend onderzoek. Als er echter ook een punctie wordt gedaan kan dit pijnlijk zijn.
Als uit deze onderzoeken blijkt dat er mogelijk sprake is van kanker, is het altijd nodig om een stukje weefsel (biopt) weg te nemen om de diagnose definitief te kunnen stellen. Dit gebeurt via een laryngoscopie onder narcose.
Directe laryngoscopie onder narcose (kijkoperatie)
Voor dit onderzoek wordt u opgenomen in het ziekenhuis. De KNO-arts gebruikt bij dit onderzoek een laryngoscoop. Dit is een holle buis waaraan een kijkertje met sterk vergrotende lenzen is bevestigd. Hiermee kan het hele gebied van (het strottenhoofd, de mond-keelholte, de luchtpijp en de ingang van de slokdarm) worden bekeken.
Op die manier kan de specialist een beeld krijgen van de uitgebreidheid van de tumor. Ook kijkt de arts of er nog andere tumoren aanwezig zijn.
Met een tangetje kan weefsel worden weggenomen. Onder de microscoop kan worden vastgesteld of het weefsel kankercellen bevat of niet. Meestal duurt het enkele dagen voordat de uitslag van dit onderzoek bekend is.
PET-scan
Een PET-scan wordt in het geval van strottehoofdkanker vooral toegepast bij de verdenking van nieuwe tumorcellen in het eerder behandelde gebied (lokale recidieven).
De meeste kankercellen hebben een verhoogde stofwisseling, waarbij veel suiker wordt verbruikt. Door aan suikermoleculen een radioactieve stof te koppelen, is het mogelijk om kankercellen via een PET-scan zichtbaar te maken.
De eventuele tumor neemt tegelijk met de suikermoleculen, de radioactieve stof op. Deze stof zorgt ervoor dat de kankercellen te zien zijn. De PET-scan wordt meestal gebruikt om eventuele uitzaaiingen op te sporen.
Als voorbereiding op de PET-scan is het belangrijk dat u minimaal zes uur voor het onderzoek niet meer eet. Drinken is wel toegestaan, zolang de dranken geen suiker bevatten. Via een ader in uw arm wordt de radioactieve stof met de suikermoleculen toegediend. Daarna moet u enige tijd stil liggen. Ter bescherming van de omgeving vindt deze voorbereiding plaats in een aparte kamer.
Na ongeveer een uur hebben de (eventuele) kankercellen voldoende radioactieve stof opgenomen en start het onderzoek. Daarvoor ligt u op een onderzoektafel. De camera wordt om u heen geplaatst. Vlak voor het maken van de foto's wordt u gevraagd te plassen, omdat anders de hoeveelheid radioactiviteit in de blaas het onderzoek kan verstoren. Na het onderzoek is de radioactieve stof grotendeels uit uw lichaam verdwenen; er is geen gevaar voor u of uw omgeving.
Als u diabetes heeft, zal de voorbereiding in overleg met de verwijzend arts plaatsvinden.
Stadium
Voordat uw arts kan bepalen welke behandeling hij u voorstelt, moet hij weten uit welke soort kankercellen de tumor is opgebouwd, welke mate van kwaadaardigheid de tumor heeft en wat het stadium van de ziekte is.
Onder het stadium verstaat men de mate waarin de ziekte zich in het lichaam heeft uitgebreid. Op grond van de hiervoor beschreven onderzoeken kan uw specialist het stadium van de ziekte vaststellen. Het komt er, samengevat, op neer dat hij een beeld krijgt van:
-
de grootte van de tumor;
-
de mate van doorgroei in het omringende weefsel;
-
de aanwezigheid van uitzaaiingen in lymfeklieren en/of organen elders in het lichaam.
Spanning en onzekerheid
Het kan enige tijd duren voordat u alle noodzakelijke onderzoeken heeft gehad en de uitgebreidheid of het stadium van uw ziekte bekend is.
Waarschijnlijk heeft u vragen over de aard van uw ziekte, het mogelijke verloop daarvan en de behandelmogelijkheden. Vragen die tijdens de periode van onderzoeken nog niet te beantwoorden zijn.
Dat kan spanning en onzekerheid met zich meebrengen, zowel bij u als bij uw naasten. Het kan helpen als u weet wat er bij de verschillende onderzoeken gaat gebeuren. Die informatie krijgt u niet altijd vanzelf. Vraag er daarom gerust naar op de afdelingen waar de verschillende onderzoeken plaatsvinden.
 |