|


Eerste reageerbuisbaby
Op 25 juli 1978 wordt voor het eerst een reageerbuisbaby
geboren. Louise Joy Brown wordt in het Oldham General
Hospital in Londen te wereld gebracht door Lesley Brown.
Gynaecoloog Dr. Patrick Steptoe en psycholoog Dr. Robert
Edwards waren al sinds 1966 bezig met onderzoek naar de
mogelijkheden met een reageerbuisbaby. Eerst konden ze wel
eitje bevruchten, maar het terugplaatsen leverde altijd
problemen op. In de meeste gevallen stierf het embryo binnen
enkele weken. Lesley Brown was die eerste weken zwangerschap
overleefde.
Het kind werd 9 dagen eerder ter wereld gebracht dan
gepland, omdat de moeder last kreeg van een hoge bloeddruk.
De artsen besloten op dat moment dat het noodzaak was om het
kind te laten baren. Het kind had een gewicht van ongeveer
2750 gram, had blauwe ogen en blond haar. Ze was helemaal
gezond.
Vele vrouwen die niet zwanger konden worden, juichten de
ontwikkelingen toe, maar er bleek ook veel tegenstand van
deze onnatuurlijke manier van voortplanting.
In 1983 zag in
Nederland de eerste reageerbuisbaby het licht. Komende
woensdag promoveert arts-epidemioloog Simone Buitendijk op
de nadelige gevolgen van deze wijze van bevruchting.
'Vrouwen moeten hun kinderen eerder plannen.'
Mariël Croon
Het was met zijn eigen sperma dat de
Engelse zoöloog Robert Edwards, tijdens doorwaakte nachten
in zijn laboratorium, eicellen probeerde te bevruchten die
hij had gekregen van bevriende gynaecologen. Overgeschoten
bij gynaecologische operaties. Edwards kon ze
hoogstpersoonlijk in de operatiekamer komen afhalen. Of de
vrouwen in kwestie daar toen, in de jaren zestig,
toestemming voor hadden gegeven, vermeldt de historie niet.
Edwards kon niet bevroeden dat hij met zijn gefrutsel
uiteindelijk een revolutie in gang zou zetten. Hij maakte de
weg vrij voor bevruchting in een petrischaaltje: in vitro
fertilisatie ( IVF). Maar ook voor draagmoederschap,
eiceldonaties, wetenschappelijk onderzoek met embryo's,
pre-implantatiediagnostiek, postmenopauzale moeders en zelfs
kloneren. Die revolutie voltrok zich pas nadat Edwards
Patrick Steptoe had ontmoet, een gynaecoloog die zich had
gespecialiseerd in kijkoperaties. Met die techniek kon
Steptoe uit vrouwenbuiken rijpe eicellen oogsten. Hetgeen
uiteindelijk resulteerde in de geboorte van de eerste
reageerbuisbaby, Louise Brown, in 1978 in Engeland.
De euforie was groot. Zo groot dat,
toen de kleine Louise vlak na de geboorte door vier
kinderartsen gezond was verklaard, niemand zich nog druk
maakte om de veiligheid van de IVF-methode. Of zich op lange
termijn nog bijwerkingen zouden voordoen, of Louise zelf wel
vruchtbaar zou zijn - dokters, wetenschappers en overheden
lieten zich er weinig aan gelegen liggen. Het succes van de
IVF-behandeling werd voortaan afgemeten aan het percentage
zwangerschappen dat tot stand kwam. Hoe meer, hoe beter. Om
de kansen te verhogen, plaatsten IVF-artsen niet één, maar
twee of drie embryo's terug in de baarmoeder. Kwamen die
allemaal tot wasdom, dan kreeg de vrouw die tot dan met
vruchtbaarheidsproblemen had geworsteld een twee- of soms
zelfs een drieling. Met alle risico's van dien: meerlingen
hebben nu eenmaal een verhoogde kans op complicaties tijdens
de zwangerschap of de eerste levensweken.
Enorme vlucht
Sinds in 1983 de eerste Nederlandse
reageerbuisbaby het licht zag, heeft IVF ook hier een enorme
vlucht genomen. Eén op de zeventig kinderen - zo'n
drieduizend op 200.000 jaarlijkse geboortes - wordt na IVF
geboren. Het heeft zeventien jaar geduurd voordat er
degelijke onderzoeksresultaten bekend werden over de
gevolgen van IVF. Die zijn er. Kinderen geboren na een
IVF-behandeling hebben een vijf keer zo grote kans op een
vroeggeboorte en een laag geboortegewicht (minder dan vijf
pond) als natuurlijk verwekte kinderen. Dat komt vooral door
het grote aantal tweelingen: uit 25 tot 30% van alle IVF-
zwangerschappen wordt een meerling geboren. Toch hebben ook
IVF- éénlingen een anderhalf keer zo grote kans om drie tot
acht weken te vroeg ter wereld te komen: 9,3% in plaats van
5,2%, respectievelijk 6,9% in twee grote groepen die ter
vergelijking dienden. Ze wegen bovendien gemiddeld 186 gram
minder dan de 3433 gram van natuurlijk verwekte kinderen.
Het lagere gewicht is voor een deel terug te voeren op de
zwangerschapsduur en op de gezondheid, het roken en het
alcoholgebruik van de moeder. Nadat voor tal van zulke
invloeden is gecorrigeerd, blijft de kans op een
vroeggeboorte na IVF nog steeds verhoogd tot 79%, en wegen
de IVF-eenlingen gemiddeld 150 gram minder dan natuurlijk
verwekte, vergelijkbare kinderen. Na alle correcties wegen
ze nog steeds 90 gram minder dan gemiddeld. Deze resterende
verschillen zijn hoogstwaarschijnlijk toe te schrijven aan
de IVF- procedure zelf, die kennelijk de ontwikkeling van de
baby kan verstoren. Dat blijkt uit het onderzoek van
arts-epidemioloog Simone Buitendijk van TNO-Preventie en
Gezondheid, die op 7 juni promoveert aan de Universiteit
Leiden. Alle Nederlandse IVF-klinieken, en meer dan
tweeduizend IVF-moeders werkten aan het onderzoek mee. Hun
gegevens werden vergeleken met de geboortegegevens van twee
grote groepen natuurlijk verwekte kinderen. De ene groep
bestond uit kinderen die een consultatiebureau bezochten, de
andere is opgenomen in de Landelijke Verloskundige
Registratie van verloskundigen, huisartsen en gynaecologen
van 1995 en omvat bijna alle kinderen die in dat jaar in
Nederland geboren werden. Buitendijk vergeleek de
IVF-kinderen overigens ook met kalfjes. Koeien en vrouwen
hebben genoeg met elkaar gemeen, vindt Buitendijk, om de
vergelijking tussen reageerbuiskalveren en -baby's
'wetenschappelijk waardevol' te maken. Uit onderzoek bij
dieren blijkt dat ook IVF-kalfjes zich in de baarmoeder
minder goed ontwikkelen dan natuurlijk verwekte embryo's.
Anders dan bij mensen worden de kalveren groter en worden ze
later geboren. Bij beesten is dat een slecht teken,
vergelijkbaar met een te laag geboortegewicht bij mensen. En
dat terwijl IVF-koeien niet onvruchtbaar zijn, evenmin als
de verwekkende stieren. Dáár kan het dus niet aan liggen,
constateerden de onderzoekers. Ook zij wijten de
groeistoornissen aan de reageerbuisbevruchting zélf.
Er zijn genoeg momenten dat er, in
theorie, zulke bijwerkingen kunnen optreden. Het begint al
bij de hormonen die een vrouw moet nemen om de eierstokken
aan te sporen tot een flinke productie van rijpe eicellen.
Daarvan is niet bekend of ze invloed hebben op de
zwangerschap of de baby. Tijdens het opzuigen van de
eicellen zouden die kunnen beschadigen. De vloeistof in het
petrischaaltje, waarin de bevruchte eicellen een dag of twee
dobberen om zich tot embryo te ontwikkelen, beïnvloedt
wellicht de groei. Bij koeien experimenteren de onderzoekers
inmiddels met een minder voedzame vloeistof. De innesteling
in de baarmoeder kan verstoord raken doordat het embryo daar
op een onnatuurlijke manier belandt. En in laatste instantie
kan het invriezen van de overtollige embryo's, om ze voor
een volgende bevruchtingspoging te bewaren, schadelijk zijn.
De precieze toedracht bij vrouwen is
niet bekend, maar Buitendijk heeft er wel een idee over. "De
hormoonbehandeling zou wel eens mee kunnen spelen. Het
slijmvlies van de baarmoeder, waarin het embryo zich
nestelt, wordt daardoor onnatuurlijk dik." Haar bevindingen
steunen deze hypothese. Geheel tegen verwachting ontdekte
Buitendijk dat ingevroren embryo's minder kans hebben op
complicaties dan verse. Dat kan heel goed aan de
hormoonbehandeling liggen: in de maand dat er ingevroren
embryo's worden teruggeplaatst, hoeven er geen verse eitjes
geoogst te worden. De moeder heeft dan geen hormonen
gebruikt om een eisprong op te wekken, het
baarmoederslijmvlies is ook niet extra dik geworden.
Toch, zegt Buitendijk, is de
IVF-procedure niet haar grootste zorg. De belangrijkste
gezondheidsrisico's ontstaan door de
meerlingzwangerschappen. Wegens die risico's worden er
vrijwel nooit meer dan drie embryo's teruggeplaatst, maar
twee is de regel. Dat loont. Vrouwen krijgen van de
verzekering drie behandelingen vergoed, en willen hun kans
op zwangerschap zo groot mogelijk maken. Daar komt nog bij
dat een kliniek een minimum percentage zwangerschappen per
jaar moet behalen om de vergunning te behouden. Buitendijk:
"Veel onvruchtbare paren denken: één is leuk, twee is nog
leuker, en zien geen problemen in een tweelingzwangerschap."
Spermakwaliteit
Gynaecoloog Didi Braat maakt dat in de
praktijk regelmatig mee. Zij is hoofd van de afdeling
voortplantingsgeneeskunde in het Universitair Medisch
Centrum Nijmegen en voorzitter van de sectie fertiliteit van
de gynaecologenvereniging. "Het is aan ons artsen om de
risico's duidelijk te maken. Patiënten kúnnen besluiten maar
één embryo te laten terugplaatsen. En wij zouden kunnen
differentiëren. Bij vruchtbare vrouwen onder de 32, van wie
de man een slechte spermakwaliteit heeft, mondt vijftig
procent van de IVF- zwangerschappen uit in een tweeling,
omdat er vrijwel altijd twee embryo's worden teruggeplaatst.
Als je bij die groep één embryo inbrengt, heb je minder
complicaties en toch veel zwangerschappen. Terwijl je bij
een vrouw van 38, bij wie de kwaliteit van de eicellen snel
achteruitgaat, twee en soms misschien zelfs drie embryo's
terugplaatst." In Groningen hoopt hoogleraar
voortplantings-geneeskunde Maas Jan Heineman binnenkort van
start te gaan met een nieuw behandelprogramma. Daarbij wordt
maar 'een vleugje stimulatie' gebruikt: zo weinig hormonen
dat je kunt spreken van een natuurlijke menstruatiecyclus
waarbij er maar één eicel rijpt. Waar op dit moment maar
eens in de drie maanden een IVF-poging wordt gedaan, wil
Heineman er elke maand een doen. Hoewel de kans op succes
per cyclus groter zal zijn op de gangbare manier, verwacht
hij in een halfjaar, na maximaal zes pogingen, met de nieuwe
manier evenveel zwangerschappen tot stand te brengen. Het
wachten is op geld om het nieuwe programma te bekostigen.
Het zou sowieso helpen als er niet drie maar zes
behandelingen worden vergoed, denkt Didi Braat, waarbij dan
vaker één in plaats van twee embryo's worden teruggeplaatst.
Het geeft rust, en de meeste mensen zouden er toch geen
gebruik van maken. Dat blijkt uit recent onderzoek aan de
Vrije Universiteit in Amsterdam, naar de kosteneffectiviteit
van IVF. Daar werd een groep paren met onbegrepen
onvruchtbaarheid of van wie de man 'zwak zaad' had, door het
lot verdeeld in twee groepen. De ene onderging een
IVF-poging, bij de andere werd geconcentreerd sperma
rechtstreeks in de baarmoeder gebracht. De methoden bleken
uiteindelijk even effectief. Weliswaar was de kans op een
zwangerschap hoger na een IVF-poging, maar veel vrouwen
stopten daar al na een of twee keer mee omdat ze de spanning
niet meer aankonden. IVF was overigens veel duurder: een
IVF-kind kostte gemiddeld ruim 27.000 gulden, een kind
verwekt door inseminatie met opgewerkt sperma 8. 000 tot
10.000 gulden. Buitendijk onderzocht in hoeverre de
IVF-paren gebukt gingen onder hun onvruchtbaarheid of de
behandeling. Cognitief en lichamelijk functioneerden ze niet
anders dan gemiddeld, maar op het sociale en emotionele vlak
hadden de IVF-stellen aantoonbaar meer problemen. Dat gold
vooral voor de jonge vrouwen en mannen, tussen de 21 en de
30, in de onderzoeksgroep. Zij hadden gemiddeld een lager
opleidingsniveau dan de oudere stellen, en vaker het idee
dat ze pas gelukkig zouden zijn als ze kinderen zouden
hebben. Zulke ingesleten ideeën verhogen de stress van de
behandeling, zo blijkt uit buitenlands onderzoek. Deze
patiënten moeten meer begeleiding krijgen, vindt Buitendijk,
om ze van hun irrationele ideeën over ouderschap af te
helpen.In de kliniek van Braat wordt ook onderzoek verricht
naar de stress die vrouwen ondervinden tijdens een
IVF-procedure. Braat: "Als vrouwen maar niet zwanger worden,
vragen ze: 'is het psychisch dokter?' Daar hebben we nog
geen harde gegevens over, maar de eerste, voorzichtige
resultaten wijzen uit dat angstige vrouwen minder kans op
zwangerschap hebben. Het zou mooi zijn als we aan die angst
iets konden verbeteren, vooral als dat ook nog de kans op
een zwangerschap zou vergroten. Dat lijkt met counselling
inderdaad mogelijk te zijn, afgaand op Amerikaans
onderzoek."
Schadelijke effecten
Buitendijk en Braat lopen voor hun
gevoel achter de feiten aan door het gebrek aan
wetenschappelijke informatie. "Het is voor ouders heel
belangrijk om te weten hoe de kansen van hun kind liggen",
zegt Buitendijk. "Het blijkt dat ze vaak gefrustreerd zijn
omdat er zo weinig bekend is. Ze willen de risico's
betrekken in hun beslissing om al dan niet aan IVF te
beginnen." Het effect van IVF is weliswaar klein,
vergelijkbaar met roken, maar niet zonder betekenis.
Groeivertraging en vroeggeboorte
verhogen de kans op ziekte rond de geboorte en geven
gezondheidsrisico's op lange termijn. De Gezondheidsraad
signaleerde in 1997 en 1998 in twee rapporten dat nieuwe
voortplantingstechnieken bij mensen worden getest zonder dat
voldoende vooronderzoek naar de mogelijk schadelijke
effecten is gedaan bij dieren. Dat betekent 'dat mogelijke
veiligheidsrisico's worden afgewenteld op de vrouw en het
(...) kind', wat volgens de raad 'onaanvaardbaar' is. Een
verzoek van Simone Buitendijk van TNO- Preventie en
Gezondheid om subsidie voor een vervolgonderzoek, waarbij
kinderen langer gevolgd konden worden, werd in 1997
afgewezen door de daarvoor geëigende fondsen en door het
ministerie van VWS. Voor 1998 en 1999 zou daarvoor geen geld
beschikbaar zijn, schrijft de directeur curatieve somatische
zorg N. Oudendijk namens minister Borst. Hij voegt eraan toe
dat onderzoek naar IVF 'in eerste instantie door de
universiteiten en onderzoeks-instellingen zelf en met eigen
middelen ter hand dient te worden genomen'. Ook voor 2001
ziet VWS geen mogelijkheden. Intussen gaan de ontwikkelingen
in de voortplantingstechnologie door. Zo werd in 1992 bij
toeval een nieuwe techniek ontdekt. In het laboratorium
prikte iemand per ongeluk een eicel aan, waarna door het
gaatje een zaadcel binnendrong. Het echtpaar had drie
eicellen ingeleverd en de per ongeluk aangeprikte eicel
bleek de enige die bevrucht raakte. Daarmee was ICSI
geboren: de intra- cytoplasmatische sperma-injectie, een
bijzondere vorm van IVF. Mannen met zwak, weinig beweeglijk
zaad, dat niet sterk genoeg is om op eigen kracht een eicel
te torpederen, kunnen nu toch een genetisch eigen kind
krijgen. Artsen kunnen nu aan vrijwel alle onvruchtbare
stellen hoop bieden op een genetisch eigen kind.
Alweer was de euforie groot. Zo groot,
dat er inmiddels wereldwijd tienduizenden ICSI-kinderen
rondlopen. En weer werd er, in elk geval in Nederland, niet
meteen onderzoek verricht naar de gezondheid van de
ICSI-kinderen. In België wel. Aan de Vrije Universiteit in
Brussel, waar ICSI werd ontdekt, heeft hoogleraar
embryologie en reproductieve gynaecologie André van
Steirteghem meer dan zesduizend kinderen gevolgd.
IVF-kinderen lijken geen verhoogde kans te hebben op
aangeboren afwijkingen. De ICSI-kinderen daarentegen, hebben
een verhoogd risico op een zogenoemde geslachtsgebonden
afwijking: meisjes die een vrouwelijk chromosoom missen, of
jongetjes die er een te veel hebben. De kans daarop is
verdubbeld, van drie op de duizend naar zes op de duizend -
nog altijd een heel kleine kans. Het is geruststellend,
hoewel niet is gezegd dat het hierbij blijft, want ICSI
heeft de paradox van de erfelijke onvruchtbaarheid - in elk
geval in theorie - leven in geblazen. Mannen met
onbeweeglijke spermacellen, die tot voor kort geen
nakomelingen konden verwekken, kunnen dat door ICSI wel.
"Bij een deel van de onvruchtbare mannen", zegt Van
Steirteghem, "ontbreken stukjes DNA op het Y-chromosoom. Die
afwijking kunnen ze nu doorgeven aan hun zonen, die dan ook
onvruchtbaar worden. Of dat ook werkelijk het geval is, moet
blijken als de ICSI-kinderen volwassen zijn en zelf kinderen
willen krijgen."
Bij mannen die geen levend zaad
voortbrengen kunnen met een naald zaadcellen uit de
teelballen of bijballen worden gezogen. Deze nieuwste
technieken mogen in Nederland voorlopig niet worden
toegepast
Verstopte eileiders
Op de keper beschouwd is van IVF na
twintig jaar nog niet bekend hoe effectief de methode nu
eigenlijk is. Aanvankelijk was de behandeling bedoeld voor
vrouwen met verstopte eileiders, voor wie dit het enige
alternatief was. Inmiddels wordt IVF ingezet bij álle
stellen met onbegrepen onvruchtbaarheid. Formeel pas na vier
jaar vruchteloos proberen, maar als de biologische klok tikt
of vrouwen wanhopig zijn, bieden artsen de behandeling
eerder aan. Een aantal van hen zou zónder IVF uiteindelijk
ook wel zwanger geworden zijn. Met andere woorden, schrijft
Buitendijk in haar proefschrift, IVF is niet gebaseerd op
wetenschappelijk bewezen nut. Ze vindt het een 'vrij
onthutsende conclusie', gezien de wijdverbreide toepassing,
de kosten, de belasting voor vrouwen en de risico's.
Toch is er, ondanks alle onzekerheden,
een belangrijk succes geboekt, weet Buitendijk te vertellen.
Een wetenschappelijk succes, dat ze nota bene uit de
Privé heeft moeten lezen: Natalie, de jongere zus van
Louise Brown, die ook door IVF was verwekt, is inmiddels
moeder geworden. Daarmee is ze het eerste IVF-kind dat
bewijst zelf vruchtbaar te zijn. Door op 17-jarige leeftijd
een kind te baren, heeft ze, bedoeld of onbedoeld, de
onvruchtbaarheid afgewend die haar moeder destijds trof -
door infecties van de eileiders of door veroudering. De
vruchtbaarheid van vrouwen neemt al na het tweeëndertigste
jaar af. Moeten vrouwen hun kinderen eerder plannen?
"Absoluut", zegt Buitendijk resoluut. "We zijn zo gewend het
allemaal te regelen. In Nederland hebben we het hoogste
percentage oudere moeders en het laagste percentage
tienermoeders. Een zwangerschap voorkomen, dat wordt ons met
de paplepel ingegoten. We zijn er heel goed in. De keerzijde
is de angst ervoor. Vrouwen krijgen het idee dat je zó
zwanger bent. In de praktijk kan dat flink tegenvallen."


|