Antarctische pelsrob

 

 

De Antarctische pelsrob (Arctocephalus gazella) is een oorrob (familie van de zeehond). In tegenstelling tot andere robben, kunnen zij zich zeer snel voortbewegen op het ijs. Dat hebben deze robben te danken aan hun sterk ontwikkelde achterste ledematen waarop ze steunen om vooruit te komen. Het mannetje is gemiddeld 2 meter lang en tussen de 125 en 200 kilogram zwaar. De vrouwtjes zijn kleiner. Pelsrobben eten krill, vis en pijlinktvis en komen voornamelijk voor op de subantarctische eilanden. De mannetjes houden zich onder andere bezig met het verdedigen van hun territorium. Ze bedreigen andere mannetjes met een hoog gejank. Soms kan het er hard aan toe gaan. Vechtende mannetjes slaan naar elkaar met hun scherpe slagtanden.

 

 

Australische pelsrob

 

 

De Australische pelsrob wordt beschouwd als een ondersoort van de Zuid-Afrikaanse zeebeer. De mannetjes zijn grijsachtig-bruin en hebben grove manen. De pups zijn bij geboorte geheel zwart. Het zijn uitstekende duikers en ze halen hun voedsel op grote diepte.

 

Andere namen: Australische zeebeer

Wetensch. naam: Arctocephalus pusillus doriferus

Engelse naam: Australian fur seal

Verspreiding: Zuidkust van Australië van New South Wales tot Victoria en rondom Tasmani

Voedsel: vis en inktvis

Lengte: 2 - 2,25 m (mannetje), bij geboorte 64 - 81 cm, vrouwtje 1,25 - 1,7 m, bij geboorte 62 - 79 cm

Gewicht: 220 - 360 kg (mannetje), bij geboorte 5 - 12,5 kg, vrouwtje 36 - 110 kg, bij geboorte 4,5 - 10 kg

 

 

Australische zeeleeuw

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De Australische zeeleeuw kent seksuele dimorfie. Vrouwtjes zijn veel kleiner dan mannetjes, hebben een ander kleurpatroon en missen de lange manen. Het vrouwtje heeft zilvergrijze flanken en rug, met een roomgele tot beige buik en kop. Ze wordt 130 tot 180 centimeter lang en 70 tot 110 kilogram zwaar. Het volwassen mannetje heeft een zwartachtige donkerbruine vacht, met een lichtere borst en een donker gezichtsmasker. Jonge mannetjes hebben een vacht die meer op dat van vrouwtjes lijkt. Over de schouders loopt een maan van lange, ruwe haren. Het mannetje wordt 200 tot 250 centimeter lang en 250 tot 300 kilogram zwaar.

 

De Australische zeeleeuw komt enkel voor op eilanden en in de kustwateren van West- en Zuid-Australië, waar zo'n tien- tot twaalfduizend dieren leven. Ze trekken zelden ver weg van de kust, en blijven meestal boven het continentaal plat. De Australische zeeleeuw eet inktvissen en vissen, waaronder wijting, zalm, haaien en roggen. Soms eten ze kreeftachtigen. Een enkele keer is waargenomen dat Australische zeeleeuwen pinguïns op het land vingen en doodden.

In de paartijd (meestal oktober tot december, maar afhankelijk van de locatie) verzamelen de zeeleeuwen zich op de werpstranden, in groepen van zo'n tweehonderd dieren. Als werpstrand geeft het vrouwtje de voorkeur voor zandstranden of stranden met kleine, ronde stenen. Mannetjes zijn territoriaal, en zullen meestal andere mannetjes uit hun territorium wegjagen. Tien dagen na de worp vindt de paring plaats.

 

Jongen worden pas zo'n 18 maanden na de paring geboren. Dit komt doordat de Australische zeeleeuw een verlengde draagtijd kent: de bevruchte eicel blijft voor een periode van 3,5 tot 5 maanden niet in ontwikkeling. Hierna volgt de eigenlijke draagtijd van zo'n veertien maanden, meer dan die van enig ander zeeroofdier.

Pasgeboren jongen hebben een chocoladebruine vacht met een bleek geelbruine kruin. Ze zijn 62 tot 68 centimeter lang en 6,4 tot 7,9 kilogram zwaar. Na twee maanden wordt deze ingewisseld voor een vacht die meer lijkt op die van een volwassen vrouwtje. Als de moeder op jacht gaat, verzamelen de jongen zich in zogenaamde crèches. De moeder vindt haar eigen jong weer terug dankzij de roep, die voor ieder jong uniek is.

 

Jongen worden meestal gezoogd totdat het volgende jong wordt geboren, dus zo'n achttien maanden later. Vrouwtjes zijn na 4,5 tot 6 jaar geslachtsrijp, mannetjes vanaf zes jaar.

 

 

Baikalrob

 

 

De Baikalrob (Phoca sibirica of Pusa sibirica) is een soort zeehond, die enkel voorkomt in het Zuid-Siberische Baikalmeer. Samen met twee ondersoorten van de ringelrob (Phoca hispida) is het de enige zeehond die enkel in zoetwater leeft. Hoe de dieren in het Baikalmeer, dat enkele honderden kilometers van de kust afligt, terechtgekomen zijn, is onbekend. Waarschijnlijk stammen ze af van ringelrobben uit de Noordelijke IJszee, die via rivieren en meren het Baikalmeer hebben bereikt.

 

De Baikalrob wordt 100 tot 140 centimeter lang (gemiddeld 122 centimeter) en 50 tot 130 kilogram zwaar. De Baikalrob heeft een ongevlekte, donker- tot zilvergrijze vacht met een lichtere buik en zijden. De Baikalrob lijkt qua uiterlijk veel op de verwante ringelrob. De schedel is echter veel korter en ronder, waardoor de oogkassen nog groter lijken. Ook zijn de voorpoten en klauwen groter en sterker.

 

De Baikalrob leeft voornamelijk solitair. 's Winters trekken de dieren naar het koudere noordelijke gedeelte van het meer. Vrouwtjes klimmen 's winters op het ijs om hun jongen te werpen, terwijl de volwassen mannetjes in het water blijven, onder het ijs. Door middel van ademgaten in het ijs komen de dieren weer naar het oppervlak. Het aantal ademgaten verschilt per individu, geslacht en leeftijd. Volwassen mannetjes hebben gemiddeld zo'n tien gaten. Zomers houden de robben zich op in het zuidelijke gedeelte van het meer. Als de zon schijnt, liggen de robben te zonnen op kleine rotseilandjes.

 

De Baikalrob houden zich voornamelijk op in de diepere gedeelten van het Baikalmeer. Op een diepte van 50 tot 200 meter (soms tot 300 meter) jaagt hij voornamelijk op vis als donderpadden en olievissen (Comephoridae), maar ook op kreeftachtigen. Ze blijven gemiddeld 10 tot 20 minuten onder water.

 

De rob is monogaam: vrouwtjes paren ieder jaar met hetzelfde mannetje. De draagtijd bedraagt zo'n elf maanden. Tussen februari en maart wordt het ene jong geboren in een leger in het ijs. Soms maken andere vrouwtjes gebruik van nabijgelegen legers, maar meestal leven de dieren solitair. De jongen wegen bij de geboorte ongeveer vier kilogram en zijn 64 tot 66 centimeter lang. Bij de geboorte heeft het jong een wollige, witte vacht, die na zes tot acht weken wordt verwisseld voor een zilvergrijze vacht. De zoogtijd duurt acht tot tien weken. Vrouwtjes zijn geslachtsrijp na twee tot vijf jaar, mannetjes van vier tot zeven jaar.

De Baikalrob kan 50 tot 56 jaar oud worden, waarmee het dier van alle zeehonden de langste levensverwachting heeft.

De totale populatie werd in 1990 geschat op zo'n zestig- tot zeventigduizend dieren. Er wordt op de robben gejaagd voor de huid (voornamelijk de pels van de welpen) en het vlees.

 

 

Bandrob

 

 

De bandrob (Phoca fasciata of Histriophoca fasciata) is een zeehondensoort uit de familie Phocidae. Het hele leven brengt hij door op en rond het pakijs en de open wateren van de Beringzee. Hij kan bijna een half uur onder water blijven. Zijn voedsel bestaat uit verschillende vissoorten, als pollak, puitaal en poolkabeljauw, alsmede inktvis en garnalen. De belangrijkste vijanden zijn orka's en haaien.

De naam is te danken aan de sterk afstekende gebandeerde tekening met een bruine tot donkerbruine basiskleur en meestal drie witte tot gele banden op het lichaam. De meeste dieren hebben een tekening als volgt;

  • een verticale band om de nek;

  • een lange ronde band rond de voorpoot;

  • een bredere verticale band rond de staartwortel.

De vlekken smelten op de buikzijde vaak samen, en de tekening kan afwijken. Jonge dieren zijn wit en worden later blauwgrijs.

Er is niet veel bekend over bandrobben, ondanks dat ze niet erg schuw zijn. De functie van de luchtzak die ze aan de rechter borstzijde hebben bijvoorbeeld is nog onbekend. Omdat die van een mannetje veel groter is, dient deze waarschijnlijk om (lok)geluiden mee te produceren.

 

 

Californische zeeleeuw

 

 

De Californische zeeleeuw (Zalophus californianus californianus) is een zeeleeuw van de Pacifische kust van Noord-Amerika.

De Californische zeeleeuw is een van drie ondersoorten van de soort Z. californianus; de andere zijn Z.c. japonicus, de Japanse zeeleeuw en Z.c. wollebaeki, de Galapagoszeeleeuw.

 

De Californische zeeleeuw is vaak te zien bij jachthavens en werven. Het mannetje kan 340 kg zwaar worden en een lengte van 2,4 meter bereiken. De vrouwtjes zijn meestal niet zwaarder dan 100 kg. Het mannetje krijgt bij het bereiken van de volwassenheid een verdikking van de schedel op zijn kop. De soort dankt daar zijn wetenschappelijke naam aan. Lophus is Grieks voor voorhoofd en het voorvoegsel za- benadrukt wat er achter komt. In tegenstelling tot zeehonden zwemmen zeeleeuwen met behulp van hun flippers, de voorpoten.

De Californische Zeeleeuw is een intelligent dier dat zich snel aanpast en leergierig is. Zij zijn dan ook geliefd in het circus of dolfinarium, maar ook bij onderzoekers van de zee, die de soort als hulpdieren willen gebruiken.

 

In de voortplantingstijd verdedigen de bullen (stieren) hun territorium luid brullend tegen concurrenten. Dat gebied hebben ze nodig om hun wijfjes om zich heen te kunnen verzamelen. En daar werpen de wijfjes hun jong om korte tijd later weer gedekt te worden. De jongen worden gedurende een half jaar of langer gevoed met moedermelk en gaan dan over op vis.

 

Niet alleen in Californië maar ook langs de westkust van Midden- en Zuid-Amerika komt deze zeeleeuwensoort voor.

 

 

Caribische monniksrob

 

 

De caribische monniksrob (Monachus tropicalis) was een zeehondensoort uit het geslacht der monniksrobben (Monachus). Het was het enige zeeroofdier dat van nature voorkwam in het Caribische gebied. De laatst betrouwbare waarnemingen stammen uit 1952 en sinds 1996 wordt de soort officieel als uitgestorven beschouwd.

 

De Caribische monniksrob had een donker bruingrijze vachtkleur. De buikzijde was gelig wit van kleur. De eerste en de vijfde teen op de achterflippers waren langer dan de andere tenen. De nagels op de voorflippers zijn goed ontwikkeld. De lichaamslengte lag tussen de 200 en de 240 centimeter. Mannetjes werden groter dan vrouwtjes, ongeveer 230 centimeter lang en 68 tot 137 kilogram zwaar. Jongen werden in december geboren met een lange, zwarte vacht en de ogen open. De leefwijze was waarschijnlijk vergelijkbaar met die van de twee andere soorten monniksrobben.

 

De Caribische monniksrob kwam oorspronkelijk voor in de Caribische zee en de Golf van Mexico, misschien noordwaarts tot de Bahama's. Ze rustten voornamelijk op zandstranden en -banken, zowel op de Antillen als langs de kust van Yucatán en Midden-Amerika.

Christoffel Columbus was in 1494 de eerste westerse mens die deze soort zag. Toentertijd was de soort vrij algemeen in het Caribisch gebied. Doordat de Caribische monniksrob geen natuurlijke vijanden op het land kende, was de soort niet bang voor mensen, en daardoor makkelijk benaderbaar. Zo vormde de monniksrob een gemakkelijke prooi voor mensen, die de dieren slachtten voor vlees, huid en olie. Later vormde vervolging door vissers een belangrijke bedreiging. Net als andere monniksrobben was de Caribische monniksrob waarschijnlijk gevoelig voor verstoring, en zorgde een oprukkende bebouwing en toerisme voor het verdwijnen van geschikte werpstranden. Eind negentiende eeuw was de soort vrij zeldzaam.

De laatste dieren werden gezien in 1952 op de bank van Seranilla tussen Jamaica en Honduras. Tussen 1973 en 1993 is er intensief in zijn vroegere verspreidingsgebied gezocht naar individuen, zonder resultaat. Soms worden er nog wel zeeroofdieren waargenomen in het Caribisch gebied, maar waarschijnlijk gaat het hier eerder om ontsnapte Californische zeeleeuwen of verdwaalde klapmutsen en zuidelijke zeeolifanten. De Caribische monniksrob is de enige soort zeeroofdier die in de afgelopen vijfhonderd jaar is uitgestorven.

 

 

Galapagos pelsrob

 

 

Over de Galapagos pelsrob heb ik helaas geen informatie kunnen vinden. Heeft u nog informatie over de Galapagos pelsrob schroom dan niet om mij te mailen.

 

 

Gewone zeehond

 

 

De gewone zeehond (Phoca vitulina) is een zeeroofdier uit de familie der zeehonden (Phocidae). De soort komt algemeen voor in de Waddenzee. Het is nauw verwant aan de larghazeehond of West-Pacifische zeehond (Phoca largha).

 

De vachtkleur varieert van grijsgeel tot donkerbruin of zelfs zwart. Meestal hebben de dieren donkere vlekken. De kop is afgerond en klein in verhouding tot het lichaam. De gesloten neusgaten lopen in een V-vorm.

 

Gewone zeehonden worden 120 tot 195 centimeter lang en 45 tot 130 kilogram zwaar. Vrouwtjes zijn meestal iets kleiner dan mannetjes. Vrouwtjes worden meestal 120 tot 155 centimeter lang, mannetjes 130 tot 195 centimeter. Mannetjes hebben regelmatig vele littekens op de nek. Vrouwtjes kunnen littekens hebben op de hals. Deze littekens zijn veroorzaakt door mannetjes, die tijdens het paren in de hals van het vrouwtje buit.

 

Zeehonden lijken honkvast te zijn en keren meestal terug naar dezelfde rustplaats. Sommige dieren zijn echter zwervers, en kunnen voor een langere periode wegblijven. De activiteitsperiode wordt bepaald door de getijden: bij vloed wordt er gejaagd, bij eb, wanneer zandbanken en rotseilandjes droog komen te liggen, wordt er gerust. In gebieden waar rustgebieden ook bij vloed droog blijven, zijn zeehonden dagdieren, die 's nachts op de rustplaatsen verblijven. De zeehonden rusten vaak in grote gemengde groepen, die uit tot wel 1000 dieren kunnen bestaan. In het water zijn ze vaak echter alleen.

Mannetjes worden maximaal 26 jaar oud, vrouwtjes 32 jaar. De belangrijkste natuurlijke vijanden zijn haaien en de orka.

 

Zeehonden voeden zich voornamelijk met vis, maar ook met kreeftachtigen, inktvissen en wulken. Vooral haring en kabeljauwachtigen zijn belangrijke prooidieren. In de Nederlandse wateren is bot de belangrijkste voedselbron. Grotere vissen eten ze aan het wateroppervlak, kleinere vissen worden tijdens het jagen onder water opgegeten. Jonge zeehonden eten op de bodem levende kreeftachtigen, tot op een leeftijd van 3 maanden. Zeehonden hebben de neiging om zich per seizoen op slechts één soort vis te richten.

Met het voedsel krijgen ze het meeste vocht binnen, en de gewone zeehond drinkt geen zeewater.

 

De paartijd valt in juli en begin augustus. De balts en de paring vinden plaats in het water. Door een verlengde draagtijd komt de embryo pas tot ontwikkeling in november of december, ongeveer anderhalf tot drie maanden na de paring. De eigenlijke draagtijd duurt 8 maanden. In juni of juli worden de jongen geworpen.

In voorjaar en zomer werpen de wijfjes één jong, soms een tweeling op de zandplaten of op rotsen. Met de daaropvolgende vloed zwemmen ze al met de moeder mee. De jongen hebben net als de jongen van andere zeehondensoorten een witte wollige vacht, maar verliezen deze meestal al voor de geboorte, waardoor ze met hun volwassen vacht worden geboren. Zeehonden zijn bij de geboorte tussen de 70 en de 95 centimeter lang en 9 tot 11 kilogram zwaar.

Vrouwtjes verdedigen de jongen tegen vijanden. Bij groot gevaar duikt de moeder met het jong in de bek het water in, waarbij ze vaak ook onderduikt. Ze zoogt het jong ieder drie à vier uur. De zoogtijd duurt net zolang totdat het gewicht twee keer zoveel is als het geboortegewicht. Dit duurt meestal tussen de twee en de zes weken. Na de zoogtijd verlaat de moeder het jong, waarna het voor zichzelf moet zorgen.

Het mannetje is na 3 tot 5 jaar geslachtsrijp, het vrouwtje na 2 tot 4 jaar.

 

Gewone zeehonden leven langs beschutte kusten in de Noordelijke Atlantische en Grote Oceaan. In Europa komen ze voor langs de kust van de Oost-, de Noord- en de Waddenzee, en de kust van Noorwegen, Ierland en Groot-Brittannië (met uitzondering van het Kanaal). Ze komen over het algemeen voor op zandplaten, waaronder rond riviermondingen. Ook komen ze voor langs rotskusten.

 

Vroeger waren zeehonden zo algemeen in de Waddenzee dat er op gejaagd werd. Enkele jaren geleden werden er echter slechts een duizendtal geteld. Een goede bescherming resulteerde in een toename en in 2001 telde men er weer ruim 3500. Waarschijnlijk is de teruggang te wijten aan watervervuiling of te veel zware metalen en/of chloorwaterstoffen in hun dagelijks voedsel, de vis. Het is ook mogelijk dat de verstoring door teveel recreatie een rol heeft gespeeld. Een belangrijke doodsoorzaak was een virusepidemie in 1988, waaraan ongeveer zestig procent van de totale populatie in Noordwest-Europa stierf. De toename doet vermoeden dat de maatregelen hun vruchten beginnen af te werpen. Behalve in Nederland zijn de dieren ook volledig beschermd in het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Denemarken en Zweden.

Huilers, door hun moeder verlaten jonge zeehonden, worden in Nederland opgevangen in zeehondencrèches op Texel (Ecomare) en in Pieterburen (prov. Groningen).

 

 

Grijze zeehond

 

De grijze zeehond of kegelrob (Halichoerus grypus) is een zeeroofdier uit de familie van de zeehonden (Phocidae). Het is na de gewone zeehond de meest algemene zeehond in de Nederlandse wateren. De dieren zijn van andere zeehonden te onderscheiden door de rechte snuit. De soortnaam grypus betekent dan ook "haakneus". Grijze zeehonden zijn over het algemeen ook een stuk groter dan gewone zeehonden, en de grootste soort uit de onderfamilie Phocinae. Het is de enige soort uit het geslacht Halichoerus, wat letterlijk "zeezwijn" betekent.

 

De snuit loopt in één rechte lijn met de voorhoofd. De snuit van het mannetje is veel langer en breder dan die van het vrouwtje. De kleur varieert van grijs tot donkerbruin tot zwart, maar grijs is de overheersende kleur. Vrouwtjes zijn meestal lichter van kleur dan mannetjes. Mannetjes zijn over het algemeen donkergrijs met lichtere vlekken, vrouwtjes zijn meestal lichter grijs met donkere vlekken. Verder is het mannetje steviger gebouwd en heeft een grotere, bredere kop. Ook heeft hij drie à vier duidelijk zichtbare rimpels rond de nek. De neusgaten zijn duidelijk gescheiden, in tegenstelling tot de gewone zeehond.

De grijze zeehond wordt 210 tot 330 centimeter lang en 125 tot 350 kilogram zwaar. Vrouwtjes zijn een stuk kleiner dan mannetjes. Mannetjes worden 195 tot 330 centimeter lang en gemiddeld 170 tot 350 kilogram zwaar, vrouwtjes slechts 165 tot 250 centimeter lang en 105 tot 220 kilogram zwaar. Dankzij een dikke speklaag is de grijze zeehond goed beschermd tegen het koude zeewater.

 

De grijze zeehond rust bij eb en bij zonsopgang op rotsen en zandbanken, die bij eb droogvallen.

 

Grijze zeehonden eten voornamelijk vis als zalm, kabeljauw schelvis, koolvis en platvissen, en schaal- en weekdieren. Ze eten soms inktvis en een enkele keer zelfs vogels. Gemiddeld eet een grijze zeehond 5,7 kilogram per dag, maar de dieren kunnen langere tijd zonder voedsel.

De grijze zeehond heeft een goed ontwikkeld zicht- en reukvermogen, waarmee ze hun prooidieren opsporen. Het dier kan tijdens het foerageren tochten maken van wel honderd kilometer. Ze duiken meestal tot op een diepte van 25 meter, maar er zijn ook duiken waargenomen van wel 100 meter diep.

 

De werptijd verschilt per regio. De grijze zeehonden van de Noordoostelijke Atlantische Oceaan werpen tussen september en december, met een geboortepiek in oktober. De zeehonden in de Noordwestelijke Atlantische Oceaan werpen voornamelijk in januari of februari. De paartijd volgt ongeveer drie weken na de werptijd.

In de paartijd vasten de dieren. Een mannetje eet dan zes weken lang niets. De dieren trekken naar vaste voortplantingsgebieden. Vrouwtjes zijn trouw aan hun voortplantingsgebied en keren ieder jaar terug naar dezelfde plek. Hier verzamelen de vrouwtjes zich in kolonies, die kunnen bestaan uit vijftig tot wel zeventigduizend vrouwtjes. Mannetjes houden een harem bij van vrouwtjes die (bijna) in oestrus zijn. Op land verdedigen de mannetjes hun harem tegen andere mannetjes. Als een vrouwtje in oestrus is, zal het mannetje haar geregeld dekken of aandacht schenken. Zo voorkomt hij dat andere mannetjes de kans krijgen om met het vrouwtje te paren. De paring vindt zowel op het land als in het water plaats, en duurt 15 tot 45 minuten. Dominante mannetjes hebben meestal het alleenrecht op paren, en kunnen andere mannetjes beletten te paren of zelfs uit de kolonie verjagen.

De totale draagtijd duurt 11,5 maand. De eigenlijke draagtijd duurt echter 8,5 maand, maar de embryo komt de eerste twaalf weken niet tot ontwikkeling (verlengde draagtijd).

Per worp krijgt het vrouwtje één jong. Jongen worden geboren op afgelegen stranden, onbewoonde eilanden, op pakijs en in grotten, boven de vloedlijn, in de kolonie. In noordelijke gebieden, als de Oostzee en rond Groenland, worden de jongen ook op het pakijs geboren. Vrouwtjes met jongen zijn zeer agressief tegen andere zeehonden. Vrouwtjes zonder jongen sluiten zich ook aan bij deze kolonies.

 

Bij de geboorte is het jong 90 tot 105 centimeter lang en 11 tot 20 (gemiddeld 14,5) kilogram zwaar. Het heeft bij de geboorte een wollige witte vacht. Deze verliest hij na 2 tot 3 weken. Het vrouwtje zoogt het jong om de vijf à zes uur. Door de vette melk komt het jong per dag 1,5 tot bijna 2 kilogram aan. De totale zoogtijd duurt 16 tot 21 dagen, waarna de moeder het jong verlaat. Pas als de jongen 30 tot 35 dagen oud zijn, gaan ze zelf voor voedsel zoeken.

 

Vrouwtjes zijn na 4 tot 5 jaar geslachtsrijp, mannetjes na 6 jaar. Mannetjes zullen echter meestal pas voor het eerst paren als ze 8 tot 10 jaar oud zijn.

Mannetjes worden maximaal 30 jaar oud, vrouwtjes meer dan 45 jaar.

 

Grijze zeehonden leven langs de kusten in gematigde en koudere delen van de Noordelijke Atlantische Oceaan. Ze komen voornamelijk rond Newfoundland, Zuid-Groenland, IJsland, Noorwegen, de Britse eilanden, Bretagne en de Oostzee. Ook in de Waddenzee komen ze voor. Ze komen voornamelijk voor op rotskusten en bij zeekliffen. Ook worden ze waargenomen op zandbanken, bij riviermondingen en op zandstranden.

 

In Nederland is de grijze zeehond niet zo talrijk als de gewone zeehond. De dieren geven de voorkeur aan rotsige kusten bij open zee. Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw komt in de Waddenzee echter weer een kleine populatie voor. Op de Richel, een zandplaat tussen Vlieland en Terschelling bevindt zich een populatie van ongeveer 1000 dieren.

 

De grijze zeehond eet voor een belangrijk gedeelte commercieel interessante vissoorten als zalm en kabeljauw. Ook richten ze schade aan aan visnetten. Ze zijn daarom niet geliefd bij vissers, en in veel landen wordt er op de grijze zeehond gejaagd. De populaties in de Oostzee en het Kattegat zijn bedreigd.

 

 

Pagina 1     Pagina 2     Pagina 3

 

 

Belangrijke bronnen van deze info zijn Wikipedia en zeehondencrèche Pieterburen