|


Patagonische zeeleeuw

Aan de kust van
het zuidelijk
deel van
Zuid-Amerika en
op de
Falklandeilanden
leven ongeveer
een miljoen
Patagonische
zeeleeuwen,
ook wel manenrobben.
(Otaria
flavescens,
vroeger
Otaria byronia).
Ze leven in
grote kolonies
met daarbinnen
de haremgroepen.
Elke
harem wordt
geleid door een
volwassen
bul (stier)
en bestaat uit
gemiddeld tien
wijfjes. Vooral
in de
voortplantingstijd
zijn de bullen
erg agressief.
Daarbuiten
houden ze zich
rustiger en zijn
ze voorbeeldige
vaders voor de
jongen in hun
harem. De
volwassen bul is
een imponerende
verschijning met
zijn enorme met
manen
bezette nek. De
jonge mannetjes
missen deze
manen nog.

Ringelrob

De ringelrob, stinkrob
of kleine zeehond (Phoca
hispida of Pusa hispida)
is een
zeeroofdier uit de familie
der
zeehonden (Phocidae). Het is
het kleinste zeeroofdier, die
meestal niet meer dan 115
kilogram weegt. Ringelrobben
zijn vrij algemeen in
poolgebieden. Enkele
ondersoorten leven in
zoetwatermeren. De ringelrob is
het belangrijkste prooidier voor
de
ijsbeer.
De ringelrob
lijkt op de
gewone zeehond,
maar is veel
kleiner. Ook
lopen er bij
volwassen dieren
grijswitte
ringen over de
rug, die
duidelijk
afsteken tegen
de donkergrijze
rug. De
buikzijde is
zilvergrijs van
kleur. De snuit
is korter dan
die van de
gewone zeehond.
Ringelrobben
hebben een
kop-romplengte
van ongeveer 121
tot 135
centimeter en
een
lichaamsgewicht
van 36 tot 113
kilogram.
Mannetjes worden
meestal groter
dan vrouwtjes.
De ringelrob is
een dagdier, die
jaagt op kleine
visjes
(voornamelijk
poolkabeljauw
(Boreogadus
saida)) en
kreeftachtigen
(voornamelijk
isopoden en
vlokreeftjes).
In de nazomer is
ook
krill een
belangrijk
onderdeel van
het dieet. De
ringelrob is een
goede zwemmer,
die 20 minuten
lang onder water
kan blijven.
Het sociaal
gedrag verschilt
per seizoen.
Ringelrobben
leven 's winters
solitair of
in kleine
groepen. Tijdens
de paartijd in
de lente
vestigen de
volwassen
ringelrobben
waarschijnlijk
een tijdelijk
territorium.
Tijdens de
rui, van
maart tot juli,
worden de dieren
zeer
sociaal, en
kunnen meer dan
100 dieren
worden
waargenomen bij
dezelfde scheur
in het ijs. Ook
gebruiken dan
meerdere dieren
(soms zelfs meer
dan 10 dieren)
hetzelfde hol.
Op het ijs
ligt de soort
altijd met zijn
snuit richting
een scheur in
het ijs, zodat
hij makkelijk
kan wegvluchten.
Op ijsschotsen
ligt de
ringelrob in het
midden, en hij
zal zich zelden
tot nooit aan de
rand van een
ijsschots
begeven. Ook
duikt hij het
water in via een
gat in de
ijsschots, niet
vanaf de rand.
Hij beweegt zich
over het land
door zijn
voorvinnen
schuin te
strekken en zich
dan voort te
trekken.
Ringelrobben
graven holen in
sneeuwheuvels,
waar ze in
rusten. Ook
worden de jongen
in een hol
geboren. Het
werphol kan wel
7 meter lang
zijn en bestaan
uit meerdere
gangen en
kamers. Deze
kamers worden
gegraven door
het jong. Een
ringelrob heeft
meestal 2 à 3
holen. Ook
hebben
ringelrobben
ademgaten in het
ijs. Deze
ademgaten kunnen
enkele meters
lang zijn.
Ringelrobben
kunnen 43 jaar
oud worden, maar
worden gemiddeld
ongeveer 15 tot
20 jaar oud.
de grootste
vijand van de
ringelrob is de
ijsbeer, en
de dieren zijn
op land constant
op de hoede voor
dit grote
roofdier. Ook
poolvossen
en mensen zijn
belangrijke
vijanden. Soms
worden jongen en
zwakkere dieren
gedood door
veelvraten,
wolven,
honden,
vossen,
raven en
zelfs
walrussen.
De paartijd
duurt van eind
april tot begin
mei. De paring
vindt
waarschijnlijk
plaats in het
water. De
ringelrob kent
een
verlengde
draagtijd
van 14 weken.
Tussen eind
februari en
april wordt één
jong geboren.
Tweelingen zijn
zeldzaam.
Jongen worden
meestal geboren
in een hol op
landijs, zelden
op pakijs. Ze
zijn bij de
geboorte
ongeveer 65
centimeter lang
en 4,5 kilogram
zwaar. Ze zijn
bij de geboorte
bedekt met een
witte, wollige
vacht, die na 6
tot 8 weken is
vervangen door
een juveniele
donkergrijze
vacht. De buik
is zilvergrijs
van kleur, en er
zijn al sporen
van ringen te
vinden. Deze
vacht is langer
en zachter dan
die van
volwassen
dieren.
De moeder
zoekt het jong
alleen op om te
zogen en om het
jong te
verplaatsen naar
een ander hol.
Hierbij wordt
het jong door
het water
gedragen in de
bek van de
moeder. Na 5 tot
7 weken worden
de jongen
gespeend. Ze
wegen dan
ongeveer 9 tot
12 kilogram. Na
de zoogtijd
verlaat de
moeder het jong.
Het mannetje is
geslachtsrijp
na 5 tot 7 jaar,
het vrouwtje na
4 tot 7 jaar.
De ringelrob
leeft langs de
kust van de
Noordelijke
IJszee, in
Noord-Europa,
IJsland,
Groenland,
Canada,
Alaska,
Rusland,
Spitsbergen
en
Nova Zembla.
Ook komt de
soort voor in de
Botnische Golf
en in
zoetwatermeren
in
Rusland (het
Ladogameer)
en
Finland (het
Saimaameer).
Ringelrobben
houden zich het
liefst op in de
nabijheid van de
kust,
bijvoorbeeld in
fjorden, de
oevers van meren
en de kusten van
binnenzeeën. Het
liefst houdt de
soort zich op in
de buurt van
ijs, of het nu
op het land of
in het water
ligt. In het
arctisch gebied
kan hij ver van
de kust worden
waargenomen, op
het
pakijs. De
dieren in de
poolgebieden
migreren naar
het noorden in
de lente,
wanneer het
pakijs zich
terugtrekt. In
de herfst,
wanneer het
pakijs weer
oprukt, migreren
de ringelrobben
mee naar het
zuiden.
Normaal gesproken wordt deze
soort niet in
Nederland waargenomen, enkel
incidenteel, als
dwaalgast. Zo zijn er
waarnemingen uit Nederland,
België en
Frankrijk bekend, dus moeten
ze langs de
Nederlandse kust gekomen
zijn. De in Nederland
aangetroffen dwaalgasten zijn
over het algemeen vrij klein;
ongeveer 20 kg zwaar.

Rosszeehond

De Rosszeehond is een in
de
Zuidelijke poolzee veel
voorkomende
zeehondensoort. Het is
genoemd naar de
Rosszee, een deel van de
Zuidelijke poolzee.
Ross zeehonden
zijn duidelijk
kleiner dan
andere
zeehondensoorten.
Ze worden
ongeveer 2 meter
lang en bereiken
een gewicht van
200 kilo. De
bovenkant van
het lichaam is
donkerbruin en
de onderkant
zilverachtig
wit. Van
dichtbij is deze
zeehond
makkelijk
herkenbaar aan
de grote ogen,
die een
doorsnede van 7
cm hebben.
Terwijl
Weddellzeehonden en
Zeeluipaarden in de
antarctische zeeën veel
voorkomen is de Ross zeehond een
zeldzaam dier waar weinig
onderzoek naar is gedaan. Het
komt voor rond het gehele
antarctische continent en dus
niet alleen in de Ross zee,
zoals de naam zou doen
vermoeden. Als enige robbensoort
verlaat het nooit de
antarctische wateren, maar
blijft steeds aan de rand van
het pakijs.
De Ross zeehond
is een solitair
dier dat duikt
naar inktvissen
en vissen.
Hierbij is het
meer dan andere
robbensoorten
gespecialiseerd
in het vangen
van inktvissen,
die ongeveer een
derde deel van
het voedsel
uitmaken. Net
als andere
robbensoorten
wordt op de Ross
zeehond gejaagd
door
zwaardwalvissen
en
zeeluipaarden.
De Ross zeehond
is in staat
kwetterende
geluiden te
maken die onder
water ver
dragen. Het nut
van deze
geluiden is
onbekend.

Steller zeeleeuw

De Stellerzeeleeuw (Eumetopias
jubatus) is de grootste
soort uit de familie der
oorrobben (Otariidae). Het
is de enige soort binnen het
geslacht Eumetopias.
De Stellerzeeleeuw is vernoemd
naar de Duitse naturalist
Georg Wilhelm Steller, die
het dier als eerste beschreef in
1741. De Stellerzeeleeuw
komt enkel voor in de
Noordelijke
Grote Oceaan.
De vachtkleur van een volwassen
mannetje is aan de bovenzijde
gelig bruin, aan de onderzijde
roodachtig bruin. Het mannetje
heeft ook stevige nek en een
groot voorhoofd. Volwassen
mannetjes worden drie keer zo
groot als vrouwtjes, ongeveer
270 tot 320 centimeter lang en
tot 1000 kilogram zwaar.
Vrouwtjes worden slechts 190 tot
220 centimeter lang en 272 tot
365 kilogram zwaar. Vrouwtjes
zijn ronder van vorm dan
mannetjes en meer uniform
lichtbruin tot roodachtig bruin
van kleur. Bij zowel het
mannetje als het vrouwtje zijn
de flippers donkerder van kleur.
De Stellerzeeleeuw komt voor
langs de rotskusten van
Hokkaido, de
Koerilen,
Kamtsjatka, de
Aleoeten en de
Pribilofeilanden en
Alaska, zuidwaarts tot
Californië.
Stellerzeeleeuwen
zijn zeer
speelse dieren.
Niet alleen de
welpen, maar ook
volwassen dieren
spelen
regelmatig langs
de waterlijn en
in het water. Op
volle zee kunnen
de zeeleeuwen
waargenomen
worden in
groepen tot
twaalf dieren.
De Stellerzeeleeuw jaagt
voornamelijk 's nachts op een
diepte van minder dan 180 meter,
zo'n 15 tot 25 kilometer van de
kust. Buiten de
voortplantingstijd wagen ze zich
verder weg van hun gebruikelijke
woongebied. Hij jaagt
voornamelijk op zeevis als
Alaskakoolvis en
haring, maar ook krabben,
garnalen,
octopussen, inktvissen en
mosselen kunnen ten prooi
vallen. Ook zwemt hij soms
rivieren op om
zalmen en
prikken te vangen. Er zijn
enkele gevallen van
infanticide bekend, waarbij
volwassen mannetjes jonge welpen
opeten.
De paartijd duurt van mei tot
augustus. Tijdens de paartijd
trekken de zeeleeuwen naar de
zuidelijk gelegen
voortplantingsgronden. Een
mannetje verovert een
territorium en een
harem, bestaande uit 10 tot
30 vrouwtjes. Hij verdedigt deze
fel; ook vast hij enkele
maanden. Vrijgezelle mannetjes
en vrouwtjes die te jong of te
oud zijn om zich voort te
planten wonen in aparte
kolonies.
In mei of juni trekken de vrouwtjes richting de territoria van de
mannetjes. Hier
werpen ze drie
dagen later één
jong. Het jong
heeft een
zwartbruine
vacht. Hij is
bij de geboorte
zo'n 16 tot 23
kilogram zwaar
en 100
centimeter lang.
Binnen twee
weken wordt het
vrouwtje opnieuw
gedekt door het
mannetje.
Als het jong
negen dagen oud
is, gaat het
vrouwtje
foerageerreisjes
ondernemen, die
meestal één tot
drie dagen lang
zijn. Het jong
is al die dagen
alleen. Na zo'n
reis blijft ze
ongeveer een dag
bij het jong om
het te zogen. Na
een maand gaan
sommige jongen
mee op zijn
reis. Na zes
maanden is het
zwarte
geboortekleed
verruild voor
een lichter
gekleurde pels.
De zoogtijd
duurt meestal
minder dan een
jaar, alhoewel
sommige jongen
soms nog worden
gezoogd als ze
meer dan twee
jaar oud zijn.
Het kan dus
voorkomen dat
een vrouwtje wel
drie jongen laat
zogen, behalve
het jong uit de
vorige worp ook
de jongen uit de
twee daaraan
voorafgaande
worpen.
In augustus
verlaten de
mannetjes de
voortplantingsterritoria
en trekken naar
het noorden toe.
Vrouwtjes
trekken later
weg met hun
jongen.
Als de
vrouwtjes drie
jaar oud zijn,
worden ze voor
het eerst
gedekt.
Mannetjes zijn
geslachtsrijp
na zes of zeven
jaar. Meestal
zullen ze echter
pas rond hun
tiende groot
genoeg zijn om
te concurreren
met andere
mannetjes.
In
1989 werd
het aantal
Stellerzeeleeuwen
geschat op zo'n
110.000
individuen. Dit
is ongeveer een
derde van de
geschatte
wereldpopulatie
in de
jaren zestig.
De reden voor de
achteruitgang is
onduidelijk.

Subantarctische pelsrob

Over de noordelijke zeeolifant heb ik
helaas geen informatie kunnen
vinden. Heeft u nog informatie
over de noordelijk zeeolifant
schroom dan niet om mij te
mailen.

Walrus

De
walrus
(Odobenus
rosmarus) is
een
robbensoort
die in de koude
zeeën van het
noordelijke
halfrond
voorkomt. Er
worden twee tot
drie
ondersoorten
onderscheiden,
de Atlantische (O.
r. rosmarus),
de iets grotere
Pacifische (O.
r. divergens)
en de
Laptewseewalrus
(O. r.
laptevi),
die soms tot de
ene, soms tot de
andere
ondersoort wordt
gerekend.
De
walrus
hoort tot de
orde van de
roofdieren
en is de enige
nog levende
soort in de
familie der
walrussen (Odobenidae).
De naam "walrus"
komt van het
Scandinavische
"val ross", wat
"walvispaard"
betekent.
De
zoologische naam
Odobenus
is afgeleid van
de
Griekse
woorden odous
(tand) en
baino (gaan)
en is gebaseerd
op de waarneming
dat walrussen
zich aan land
(op het ijs)
soms
voortbewegen
door middel van
hun slagtanden.
Rosmarus
komt van het
Zweedse
woord voor
walrus.
Divergens
(wegdraaien)
komt uit het
Latijn en
heeft betrekking
op de
slagtanden.
Het meest
opvallende
kenmerk van de
walrus zijn de
lange
slagtanden.
Ze komen voor
bij beide
geslachten maar
bij het mannetje
zijn ze meestal
langer, rechter
en steviger.
Over het
algemeen worden
de slagtanden
zo'n 50 cm lang
maar er zijn
uitzonderingen
tot een meter
waargenomen.
Een ander
opvallend
kenmerk zijn de
borstelachtige
snorharen
die van de
bovenlip naar
beneden hangen.
Bij walrussen in
de dierentuin
zijn deze vaak
heel prominent
aanwezig maar
bij in het wild
levende dieren
zijn ze meestal
grotendeels
afgesleten door
het dagelijkse
gebruik.
De kop van de
walrus is vrij
klein, zeker in
verhouding tot
het lichaam. Ook
de ogen en de
oren zijn klein.
De walrus
behoort tot de
grootste leden
uit de orde der
roofdieren.
Enkel de
zeeolifanten
worden groter.
Een volwassen
dier weegt
tussen de 700 en
de 2000
kilogram. De
mannetjes
(bullen) zijn
meestal veel
groter dan de
vrouwtjes
(koeien). De
bullen worden
280 tot 360 cm
lang, gemiddeld
320 cm, en de
koeien 230 tot
310 cm,
gemiddeld 270
cm. Een bul
weegt vaak meer
dan een
ton,
gemiddeld zo'n
1270 kilogram,
en een koe
gemiddeld 850
kg. De walrus
heeft een
schouderhoogte
van gemiddeld 1
meter.
Vanuit de
verte beschouwd
ziet een walrus
er kaal uit maar
in werkelijkheid
zijn ze bedekt
met een korte
borstelachtige
vacht. De huid
is extreem dik
en geplooid.
Vooral op de
schouders en de
nek is de huid
zeer dik, tot 4
centimeter.
Oudere mannetjes
hebben hier vele
kleine
knobbeltjes
zitten. Ook
hebben mannetjes
over het lichaam
verspreid
meerdere
littekens.
Direct na de
geboorte heeft
een walrus een
grijsbruine
kleur, die na
een week of twee
helder roodbruin
wordt. In de
loop van de
jaren worden ze
steeds bleker om
uiteindelijk
geelachtig bruin
te worden. Aan
de kleur kan men
dus de leeftijd
van een walrus
schatten. Een
gezonde,
volwassen dier
heeft een
kaneelbruine
kleur, oudere
mannetjes kunnen
zelfs bijna wit
van kleur zijn.
Bij warmere
temperaturen
raakt de huid
verzadigd met
bloed, waardoor
de dieren een
roodachtige
kleur krijgen.
Een jonge
walrus heeft nog
geen slagtanden
maar wel een
volledig gebit.
Nadat de beide
slagtanden (de
beide bovenste
hoektanden)
beginnen te
groeien
verliezen ze al
snel hun
snijtanden en
ook de andere
tanden
degenereren.
Net als de
(waarschijnlijk
verwante)
oorrobben
hebben walrussen
zeer beweeglijke
flippers
waardoor ze aan
land
beweeglijker
zijn dan
bijvoorbeeld een
zeehond. Het
penisbot van
de bullen is met
een lengte van
meer dan 60 cm
het langste in
het gehele
dierenrijk,
zowel in
absolute lengte
als ook in
verhouding tot
de
lichaamsgrootte.
Meestal
verblijven
walrussen op het
drijfijs in
de
poolzee. In
de herfst en
winter
trekken ze
zuidwaarts om
het
pakijs te
vermijden. Ze
verlaten het
poolgebied
echter nooit. 's
Winters houden
ze zich vooral
op langs de
randen van het
pakijs of in
polynya's,
gebieden met
permanent open
water. Zomers
verblijven ze
voornamelijk aan
de kust van het
vasteland en op
kleine
eilandjes.
Walrussen zijn
zelden verder
dan 15 kilometer
van de kust
verwijderd.
Er
bestaan vier van
elkaar
gescheiden
populaties:
-
De
Pacifische
walrus
verblijft in
de winter in
de
Beringzee.
In de zomer
trekken ze
door de
Beringstraat
noordwaarts
naar de
Tsjoektsjenzee.
-
De
westelijke
populatie
van de
Atlantische
walrus leeft
tussen de
Hudsonbaai
en de
westkust van
Groenland;
-
De
oostelijke
populatie
van de
Atlantische
walrus leeft
tussen de
oostkust van
Groenland
en
Spitsbergen;
-
Aan de
noordkust
van
Siberië
leeft O.
r. laptevi,
de
Laptewseewalrus.
De Pacifische
walrus wordt
meestal groter
dan de
Atlantische.
De walrus is een sociaal
dagdier, dat een groot gedeelte
van zijn leven in het water
doorbrengt. Hier vinden ze ook
hun belangrijkste voedsel:
tweekleppige schelpdieren.
Walrussen zoeken
hun voedsel in
het water
waarbij ze tot
100 meter diep
en gedurende 30
minuten kunnen
duiken. Het
meeste voedsel
zoeken ze echter
op een diepte
tussen de 10 en
de 50 meter,
waarbij ze zo'n
10 minuten onder
blijven. Ze
vangen soms vis,
maar hun
hoofdvoedsel
bestaat uit
tweekleppigen
als
mosselen, en
ook andere
ongewervelde
bodemdieren als
slakken,
kreeftachtigen
en
stekelhuidigen
als
zeekomkommers.
Walrussen eten
tot 45 kilogram
aan voedsel per
dag.
Bij het
zoeken naar dit
voedsel in de
modderige bodem
gebruiken ze hun
borstelsnor,
waarmee ze het
zand uitkammen.
De snor is zeer
gevoelig, en de
walrus kan
hiermee een zeer
kleine steen van
een zeer kleine
mossel
onderscheiden.
De slagtanden
worden hierbij
niet gebruikt.
Mosselen en
slakken worden
gekraakt tussen
de voorflippers
of tussen de
lippen. Tijdens
het eten krijgen
ze ook een grote
hoeveelheid zand
en grind binnen.
Hoewel kleine
dieren dus het
hoofdvoedsel
vormen schrikt
een walrus niet
terug voor
grotere prooi.
Andere
robbensoorten
worden soms door
een walrus
gevangen en
opgegeten.
Aangezien
walrussen geen
actieve jagers
zijn komt dit
echter zelden
voor. Ook zijn
gevallen van
kannibalisme
bekend waarbij
een ouder dier
een pasgeboren
walrussenjong
opvrat.
Echte
vijanden heeft
de walrus
nauwelijks. Een
ijsbeer zal
zo nu en dan
proberen een
kudde op te
schrikken om
zich te
vergrijpen aan
achterblijvende
zwakke of jonge
dieren, maar zal
niet gauw een
gezond volwassen
dier aanvallen.
Ook
orka's
grijpen soms een
walrus. De
belangrijkste
vijand van de
walrus is de
Inuit.
Walrussen kunnen
bijzonder
agressief zijn
tegen ijsberen,
maar ook tegen
witte dolfijnen.
Gedurende
ongeveer de
helft van hun
leven houden
walrussen zich
op langs de kust
van pooleilanden
of aan de rand
van het pakijs,
waar ze zich
verzamelen in
grote kuddes,
waarbij de
dieren vaak zeer
dicht op elkaar
liggen. Een
solitaire
walrus is
zeldzaam.
Meestal gaat het
dan om een ziek
of gewond dier.
Buiten de
paartijd zijn
deze kuddes per
geslacht
gescheiden.
Binnen een kudde
bestaat een
vaste rangorde
die wordt
bepaald door
grootte van de
slagtanden en
lichaamsgrootte.
Vooral bullen
kunnen, zelfs
buiten de
paartijd,
gevechten
aangaan die
meestal als
oorzaak strijd
om een
rustplaats
hebben. Als
dreigen niet
voldoende is dan
wordt de strijd
aangegaan
waarbij ook de
slagtanden
worden gebruikt,
wat vaak tot
bloedige wonden
leidt.
In de
paartijd
verzamelen de
walrussen zich
in nog grotere
kuddes die - in
gebieden waar de
jacht nog geen
ernstige
gevolgen heeft
gehad - uit vele
duizenden dieren
kunnen bestaan.
Kuststroken met
een lengte van
100 km of meer
worden dan door
een enkele
kolonie bezet.
Jonge en
zwakkere bullen
hebben in de
concurrentiestrijd
geen kans en
verzamelen zich
aan de rand van
de groep. Voor
iedere twintig
koeien is er een
bul die sterk
genoeg is om een
harem voor
zichzelf te
veroveren. Ook
hier komt het
vaak tot heftige
gevechten tussen
bullen.
De paartijd valt
in januari en
februari. De
paring gebeurt
waarschijnlijk
in het water. De
walrus kent een
verlengde
draagtijd:
na de
bevruchting
wordt de eicel
enige tijd
(ongeveer 4 à 5
maanden)
slapend
gehouden (het
ontwikkelt zich
dan niet verder)
voordat de
eigenlijke
draagtijd
begint. 14 tot
16 maanden na de
paring wordt een
jong geboren,
van mid-april
tot mid-juni.
Er wordt steeds
maar één jong
geboren dat bij
de geboorte
ongeveer een
meter lang is en
60 kilogram
zwaar. Hij kan
direct zwemmen.
Tweelingen zijn
zeldzaam, maar
komen voor. Als
de moeder gaat
zwemmen, houdt
het jong zich
vast aan de nek.
Ook houdt de
moeder het jong
vast tussen de
voorpoten.
Na twee jaar
wordt het jong
gespeend,
maar het blijft
nog een tot drie
jaar bij de
moeder. De
vrouwtjes
blijven meestal
bij de
vrouwtjesgroepen,
mannetjes
sluiten zich aan
bij andere jonge
mannetjes.
Vrouwtjes
zijn meestal
geslachtsrijp
op vijf- tot
zesjarige
leeftijd, de
mannetjes op
negen- tot
tienjarige
leeftijd.
Mannetjes zullen
zich meestal pas
voortplanten als
ze 14 tot 16
jaar oud zijn.
Een walrus
kan veertig jaar
oud worden, maar
wordt meestal 16
tot 30 jaar oud.
Voor de
Inuit is de walrus heel
belangrijk, zowel in religieus
opzicht als voor de dagelijkse
voorziening. Het dier levert
vlees en traan en de slagtanden
worden, tezamen met de andere
botten, gebruikt als waardevol
bouwmateriaal. De jacht door de
Inuit was nooit bedreigend voor
het voortbestaan van de soort.
Toen de blanke
mens de poolzee
had bereikt werd
de situatie voor
de
walrussenkolonies
fataal. Ze
werden nu
intensief
bejaagd, vooral
voor het
ivoor van
hun slagtanden.
Langs de
oostkust van
Noord-Amerika
kwamen ze voor
tot bij
Cape Cod en
de
Baai van St.
Laurens. In
de 16e
en 17e
eeuw werden hier
ieder jaar vele
duizenden dieren
gedood. In de 19e
eeuw kwam
zuidelijk van
Labrador
geen walrus meer
voor. Op hun
zoektocht naar
meer kolonies
drongen de
jagers steeds
verder in
afgelegen
gebieden door.
Een indruk van
de slachting
krijgt men als
men weet dat
alleen al tussen
1925 en
1931 langs
de kust van het
Canadese
pooleiland
Baffinland
175.000
walrussen werden
gedood. De
Atlantische
walrus was
hierdoor bijna
uitgestorven. Om
onbekende
redenen hebben
de aantallen
zich na het
stopzetten van
de massale jacht
niet echt
hersteld. Met
ongeveer 15.000
Atlantische
walrussen is dit
slechts een
klein deel van
de
oorspronkelijke
aantallen.
De
Pacifische
walrus werd op
vergelijkbare
manier
gedecimeerd,
hoewel de jacht
hier veel later
begon. Dankzij
beschermende
maatregelen door
de VS en Rusland
hebben de
aantallen zich
hier echter
vertienvoudigd
zodat er nu weer
zo'n 200.000
Pacifische
walrussen zijn.
Er zijn
gevallen bekend
dat walrussen
mensen hebben
aangevallen.
Meestal betrof
het hierbij
kleine boten (Kajaks)
die door
agressieve
bullen werden
omgegooid waarna
de inzittenden
soms werden
gedood. De mens
behoort echter
niet tot het
voedingsspektrum
van de walrus.
Deze aanvallen
zijn meestal
ontstaan als
afweer van
indringers in
het
walrussen-territorium.
Gedurende het
Pleistoceen
was de walrus al
wijd verbreid,
waarschijnlijk
doordat ten
tijde van de
ijstijden de
omstandigheden
voor hen zeer
gunstig waren.
Uit die tijd
zijn
overblijfselen
van walrussen
gevonden langs
de kusten van
Europa en
Californië.
In het
dolfinarium
Harderwijk
bevinden zich
een aantal
walrussen
waarmee
voorstellingen
worden gegeven.
De Duitse
omroep
NDR heeft
als mascotte een
walrus. Model
hiervoor stond
Antje,
een walrus die
leeft in een
dierenpark in
Hamburg.

Wedell zeerob

De Weddellzeehond (Leptonychotes
weddellii) is een van de
meest voorkomende zeehonden in
Antarctica en genoemd naar
de
Weddellzee, een deel van de
Zuidelijke Oceaan.
Kenmerken
De
Weddellzeehond
is staalgrijs
van kleur en
heeft over het
hele lichaam
lichte, witte of
gelige vlekken.
In de zomer
verbleken de
kleuren en om in
de winter weer
intensiever te
worden.
De
Weddellzeehond
is ongeveer 250
cm lang en kan
soms tot 300 cm
lang worden en
weegt gemiddeld
400 kg. De kop
is
verhoudingsgewijs
klein met een
korte snuit,
waarddor hij
makkelijk te
onderscheiden is
van andere
zeehonden in
Antarctica.
De zeehond
voedt zich bijna
uitsluitend met
vis. Ze kunnen
tot 600 m diep
duiken en tot
een uur onder
water blijven.
Op het ijs
zijn de dieren
traag en zeer
mak doordat ze
daar geen
vijanden hebben.
In het water is
hun grootste
vijand de
Zwaardwalvis.
Op de vlucht
proberen ze
dicht onder de
ijskorst te
komen, waar ze
onbereikbaar
zijn voor hun
vijand.
De jongen
worden in het
voorjaar
(september/oktober)
op het ijs
geboren.
Verspreiding
De zeehond
komt in het
gehele
Antarctische
gebied aan de
rand van het
pakijs voor. In
de winter
trekken de
dieren niet weg,
maar houden een
wak in het ijs
open door het
ijs met hun
hoektanden weg
te knagen. Dit
wak kunnen ze
openhouden tot
het omringende
ijs een dikte
van 2 m heeft
bereikt.

Zadelrob

De
zadelrob (Pagophilus
groenlandicus of Phoca
groenlandica) is een
zeehond, die voornamelijk in
de
Noordelijke IJszee, rond de
Noordpool leeft. De jongen
van de
zadelrob werden
wereldberoemd toen films van
pelsdierjagers, die de jongen
doodknuppelen voor de vacht, in
veel landen op de televisie te
zien waren. Door deze beelden
protesteerden veel mensen tegen
deze vorm van jagen.
Kenmerken
De
zadelrob
heeft een
lichtgrijze
vacht met een
zwarte kop. Over
de
flanken en
over de rug
loopt een zwarte
band, die
volgens sommigen
op een zadel
lijkt (vandaar
de naam). Bij
vrouwtjes is de
tekening bleker
en vaak
afgebroken,
waardoor het
meer op vlekken
lijkt dan op een
volledige band.
De jongen van
de
zadelrob
hebben bij de
geboorte een
dikke, witte
vacht. Deze
vacht wordt
vervangen door
een juveniele
vacht, die
bedekt is met
donkere vlekken.
De bovenzijde
wordt lichter,
terwijl de
onderzijde
donkerder wordt.
De vlekken
worden hierdoor
minder
duidelijk. Als
de dieren drie
jaar oud zijn,
zijn de
tekeningen
onduidelijk, en
de vacht is
lichtgrijs. Als
de dieren vier
jaar oud zijn,
ontwikkelt zich
de volwassen
zwarte
bandtekening,
die pas voltooid
is rond de tijd
dat het dier
geslachtsrijp
is.
Een volwassen
zadelrob
wordt 168 tot
190 centimeter
lang en 120 tot
140 kg zwaar.
Mannetjes worden
groter dan
vrouwtjes.
Vrouwtjes worden
gemiddeld 179
centimeter lang
en 120 kilogram
zwaar, mannetjes
183 centimeter
lang en 135
kilogram.
Zadelrobben
leven van
schaaldieren
en
vissen. De
belangrijkste
voedselbron is
lodde. Ze
kunnen 150 tot
200 meter diep
duiken om daar
te jagen op
vissen als
haring en
kabeljauw.
De zadelrob kan
30 minuten onder
water blijven en
280 meter diep
duiken.
Het
zijn sociale
dieren, die zich
in februari en
maart in grote
voortplantingskolonieën
op het ijs
verzamelen, waar
de dieren hun
jongen in
werpen, paren en
ruien. Oude
mannetjes leven
alleen of in
kleine groepjes.
De paartijd
valt in maart.
De draagtijd
duurt 7,5 maand.
De zadelrob kent
een
verlengde
draagtijd
van 11 weken,
waardoor de
jongen pas 11
maanden na de
paring worden
geboren, in
februari en
maart. De
zadelrobben
krijgen bij de
geboorte één
jong. Het
vrouwtje zoogt
de jongen 2 à 3
keer per dag. Na
twaalf dagen
worden de jongen
gespeend. De
jongen zijn bij
de geboorte 93
tot 108
centimeter lang
en 11,8 kilogram
zwaar.
Het vrouwtje
wordt na 4 tot 7
jaar
geslachtsrijp,
het mannetje na
5,5 jaar.
Meestal zijn
mannetjes na 8
jaar seksueel
actief.
Zadelrobben
worden maximaal
30 jaar oud.
Verspreiding
Deze dieren
leven komen voor
in de
noordelijke
Atlantische
Oceaan en de
Noordelijke
IJszee:
Canada,
IJsland,
Groenland,
Noorwegen en
Noord-Rusland.
Zadelrobben
besteden het
grootste
gedeelte van hun
leven in het
water. Om te
paren, te jongen
en te ruien
klimmen ze op
zeeijs. Er zijn
drie
afzonderlijke
werpgebieden:
één voor de kust
van
Newfoundland,
één voor de kust
van
Jan Mayen en
één in de
Witte Zee.
Verdwaalde
zadelrobben
worden
aangetroffen in
Schotland en
de
Shetlandeilanden.
Bij hoge
uitzondering
worden ze in
Nederland
waargenomen.
Op de soort
wordt flink
gejaagd. In
1994 werd
hun aantal op
4,5 miljoen
geschat. Andere
bronnen schatten
hun aantal op 2
miljoen.

zeeluipaard

De zeeluipaard (Hydrurga
leptonyx) is een
zeehond uit de familie
Phocidae. Het is de enige
soort uit het geslacht
Hydrurga.
Kenmerken
Hun lichaam
is sterk
gestroomlijnd,
waardoor ze hoge
snelheden in het
water kunnen
bereiken. Hun
kop is sterk
afgevlakt en
lijkt daardoor
wel
reptielachtig.
Met hun lange
voorpoten
bewegen ze zich
door het water.
Een mannetje is
ongeveer 3 m
lang en 270 kg
zwaar. De
vrouwtjes kunnen
tot 4 m lang en
400 kg zwaar
worden. De kleur
is aan de
bovenzijde van
het lichaam
donkergrijs en
aan de
onderzijde
zilverwit. Op de
kop en aan de
zijkanten komen
grijze vlekken
voor.
De
zeeluipaard
wordt algemeen
erkend als het
meest
roofachtige dier
in
Antarctica.
Ze leven langs
de randen van
het pakijs. Hun
aantal wordt op
400.000 dieren
geschat.
Voedsel en
gedrag
Ze leven van
veel
verschillende
dieren, zoals de
pijlinktvis,
koningspinguïns
en
keizerspinguïns,
krill,
zeevissen,
en
Weddellzeehonden.
Ze voeden zich
het liefst met
de warmbloedige
dieren. Sommige
zeeluipaarden
hebben zich
gespecialiseerd
in het vangen
van
Weddellzeehonden
en anderen in
het vangen van
pinguïns.
Indien
noodzakelijk
achtervolgen ze
hun prooi tot op
het ijs. Ze
hebben voor het
vangen van hun
prooi een extra
grote bek en
vrij scherpe
tanden. Sommige
van de prooien,
vooral pinguïns,
worden met de
poten gepakt en
dan doodgeslagen
door hun prooi
herhaaldelijk op
het
wateroppervlak
te meppen. Ze
gaan hiermee
door totdat de
pinguïn is
gevild.

zuidafrikaanse pelsrob

De Kaapse
pelsrob,
Zuid-Afrikaanse
pelsrob of
Zuid-Afrikaanse
zeebeer (Arctocephalus
pusillus
pusillus) is
een
oorrob die
te vinden is aan
de
Atlantische
kust van
Zuid-Afrika
en
Namibië. Hij
is nauw verwant
aan de
West-Australische
pelsrob (Arctocephalus
pusillus
doriferus).
Leefgebied
Langs de
Atlantische kust
zijn er zo'n 20
koloniën van
Kaapse
pelsrobben. Zo
bevindt zich een
kolonie vlak
onder
Kaapstad op
wat rotsen voor
de kust bij het
plaatsje
Houtbaai.
Ook in de haven
van Kaapstad
zwemmen
pelsrobben. Een
enorme kolonie
Kaapse
pelsrobben
bevindt zich in
Namibië bij
Kaap Kruis.
Doorgaans treft
men hier zo'n
80.000 dieren
aan, maar laat
in het voorjaar
(november en
december)
wanneer de
jongen worden
geboren, kan de
populatie
groeien tot meer
dan 200.000
exemplaren. Een
andere grote
kolonie treft
men aan bij
Lüderitz.
Langs de
zuidkust van
Zuid-Afrika
komen pelsrobben
voor tot aan de
havenstad
Port Elizabeth.
Voortplanting
In het vroege
voorjaar komen
de stieren aan
land en
verzamelen ze de
wijfjes rond
zich. Tussen de
mannetjes vinden
felle gevechten
om de wijfjes
plaats. In
oktober wordt er
gepaard en in
november en
december worden
de jongen
geboren.
Veel jonge
robben komen
vroeg om het
leven. Ze worden
doodgedrukt in
de menigte,
raken hun moeder
kwijt, of worden
gedood door
roofdieren zoals
hyena's en
jakhalzen.
Voedsel
Kaapse
pelsrobben
voeden zich met
vis (70%) en
inktvis (20%).
De koude
Benguela
golfstroom
langs de
Atlantische kust
van Zuid-Afrika
en Namibië is
rijk aan voedsel
voor de robben.

zuidelijke zeeolifant

De zuidelijke zeeolifant
(Mirounga leonina) is een
van de twee soorten
zeeolifanten.
Kenmerken
De Zeeolifant
dankt zijn naam
aan zijn grootte
en het feit dat
de volwassen
mannetjes een
lange
slurf (proboscis)
hebben, waarmee
ze buitengewoon
luid kunnen
brullen, vooral
tijdens de
paringstijd.
Mannetjes kunnen
6,5 meter lang
worden en tot
4000 kilogram
wegen. Er is een
groot verschil
in grootte
tussen de
vrouwtjes
(koeien) en de
mannetjes
(stieren).
Voedsel
Zeeolifanten
zoeken in diep
water naar
voedsel. Ze
kunnen tot
ongeveer 1500
meter diep
duiken en meer
dan twee uur
onder water
blijven. Het
duikrecord van
een zeeolifant
staat in 2005 op
1529 meter. Ze
voeden zich met
koppotigen zoals
inktvis en
zeekat en
grote vissen
inclusief
haaien. In
zee blijven ze
veel onder water
en komen tussen
twee duiken
slechts enkele
minuten boven
water.
Voortplanting
Vrouwtjes
worden gemiddeld
20 jaar oud en
zijn vanaf 3 tot
4 jaar
vruchtbaar.
Mannetjes zijn
na vijf jaar
volwassen, maar
bereiken pas op
achtjarige
leeftijd de
alpha-status.
Mannetjes worden
gemiddeld 14
jaar oud en zijn
beslist niet
monogaam van
aard. In een
seizoen kan
één mannetje tot
40 vrouwtjes
bevruchten.
Verspreiding
Zuidelijke
zeeolifanten
komen voor rond
Antarctica. 's
Zomers zitten ze
aan de kust en
's winters in
het water. Ze
kwamen in grote
aantallen voor
in
Tasmanië,
maar zijn er
praktisch
uitgeroeid door
de
zeerobben-industrie.
Meestal worden
ze gezien op de
kusten van
Nieuw-Zeeland
en
Zuid-Afrika.
Ze groeien op de
eilanden voor
Antarctica op.
De grootste
populatie, bijna
de helft van
alle levende
zeeolifanten,
leeft op
Zuid-Georgia.
Verder komen er
nog flinke
populaties voor
op
Macquarie-eiland
(meer dan 80,000
dieren),
Heard-eiland
en de
Kerguelen.
In totaal zijn
er nu nog
ongeveer 600.000
zeeolifanten,
maar ze gaan in
aantal weer
achteruit,
misschien door
overbevolking.
Pagina 1
Pagina 2 Pagina 3

|
Belangrijke bronnen van
deze info zijn Wikipedia
en zeehondencrèche
Pieterburen |
 |
|