Patagonische zeeleeuw

 

 

Aan de kust van het zuidelijk deel van Zuid-Amerika en op de Falklandeilanden leven ongeveer een miljoen Patagonische zeeleeuwen, ook wel  manenrobben. (Otaria flavescens, vroeger Otaria byronia).

 

Ze leven in grote kolonies met daarbinnen de haremgroepen. Elke harem wordt geleid door een volwassen bul (stier) en bestaat uit gemiddeld tien wijfjes. Vooral in de voortplantingstijd zijn de bullen erg agressief. Daarbuiten houden ze zich rustiger en zijn ze voorbeeldige vaders voor de jongen in hun harem. De volwassen bul is een imponerende verschijning met zijn enorme met manen bezette nek. De jonge mannetjes missen deze manen nog.

 

 

Ringelrob

 

 

De ringelrob, stinkrob of kleine zeehond (Phoca hispida of Pusa hispida) is een zeeroofdier uit de familie der zeehonden (Phocidae). Het is het kleinste zeeroofdier, die meestal niet meer dan 115 kilogram weegt. Ringelrobben zijn vrij algemeen in poolgebieden. Enkele ondersoorten leven in zoetwatermeren. De ringelrob is het belangrijkste prooidier voor de ijsbeer.

 

De ringelrob lijkt op de gewone zeehond, maar is veel kleiner. Ook lopen er bij volwassen dieren grijswitte ringen over de rug, die duidelijk afsteken tegen de donkergrijze rug. De buikzijde is zilvergrijs van kleur. De snuit is korter dan die van de gewone zeehond.

Ringelrobben hebben een kop-romplengte van ongeveer 121 tot 135 centimeter en een lichaamsgewicht van 36 tot 113 kilogram. Mannetjes worden meestal groter dan vrouwtjes.

 

De ringelrob is een dagdier, die jaagt op kleine visjes (voornamelijk poolkabeljauw (Boreogadus saida)) en kreeftachtigen (voornamelijk isopoden en vlokreeftjes). In de nazomer is ook krill een belangrijk onderdeel van het dieet. De ringelrob is een goede zwemmer, die 20 minuten lang onder water kan blijven.

Het sociaal gedrag verschilt per seizoen. Ringelrobben leven 's winters solitair of in kleine groepen. Tijdens de paartijd in de lente vestigen de volwassen ringelrobben waarschijnlijk een tijdelijk territorium. Tijdens de rui, van maart tot juli, worden de dieren zeer sociaal, en kunnen meer dan 100 dieren worden waargenomen bij dezelfde scheur in het ijs. Ook gebruiken dan meerdere dieren (soms zelfs meer dan 10 dieren) hetzelfde hol.

Op het ijs ligt de soort altijd met zijn snuit richting een scheur in het ijs, zodat hij makkelijk kan wegvluchten. Op ijsschotsen ligt de ringelrob in het midden, en hij zal zich zelden tot nooit aan de rand van een ijsschots begeven. Ook duikt hij het water in via een gat in de ijsschots, niet vanaf de rand. Hij beweegt zich over het land door zijn voorvinnen schuin te strekken en zich dan voort te trekken.

Ringelrobben graven holen in sneeuwheuvels, waar ze in rusten. Ook worden de jongen in een hol geboren. Het werphol kan wel 7 meter lang zijn en bestaan uit meerdere gangen en kamers. Deze kamers worden gegraven door het jong. Een ringelrob heeft meestal 2 à 3 holen. Ook hebben ringelrobben ademgaten in het ijs. Deze ademgaten kunnen enkele meters lang zijn.

Ringelrobben kunnen 43 jaar oud worden, maar worden gemiddeld ongeveer 15 tot 20 jaar oud.

de grootste vijand van de ringelrob is de ijsbeer, en de dieren zijn op land constant op de hoede voor dit grote roofdier. Ook poolvossen en mensen zijn belangrijke vijanden. Soms worden jongen en zwakkere dieren gedood door veelvraten, wolven, honden, vossen, raven en zelfs walrussen.

 

De paartijd duurt van eind april tot begin mei. De paring vindt waarschijnlijk plaats in het water. De ringelrob kent een verlengde draagtijd van 14 weken. Tussen eind februari en april wordt één jong geboren. Tweelingen zijn zeldzaam.

Jongen worden meestal geboren in een hol op landijs, zelden op pakijs. Ze zijn bij de geboorte ongeveer 65 centimeter lang en 4,5 kilogram zwaar. Ze zijn bij de geboorte bedekt met een witte, wollige vacht, die na 6 tot 8 weken is vervangen door een juveniele donkergrijze vacht. De buik is zilvergrijs van kleur, en er zijn al sporen van ringen te vinden. Deze vacht is langer en zachter dan die van volwassen dieren.

De moeder zoekt het jong alleen op om te zogen en om het jong te verplaatsen naar een ander hol. Hierbij wordt het jong door het water gedragen in de bek van de moeder. Na 5 tot 7 weken worden de jongen gespeend. Ze wegen dan ongeveer 9 tot 12 kilogram. Na de zoogtijd verlaat de moeder het jong. Het mannetje is geslachtsrijp na 5 tot 7 jaar, het vrouwtje na 4 tot 7 jaar.

 

De ringelrob leeft langs de kust van de Noordelijke IJszee, in Noord-Europa, IJsland, Groenland, Canada, Alaska, Rusland, Spitsbergen en Nova Zembla. Ook komt de soort voor in de Botnische Golf en in zoetwatermeren in Rusland (het Ladogameer) en Finland (het Saimaameer).

Ringelrobben houden zich het liefst op in de nabijheid van de kust, bijvoorbeeld in fjorden, de oevers van meren en de kusten van binnenzeeën. Het liefst houdt de soort zich op in de buurt van ijs, of het nu op het land of in het water ligt. In het arctisch gebied kan hij ver van de kust worden waargenomen, op het pakijs. De dieren in de poolgebieden migreren naar het noorden in de lente, wanneer het pakijs zich terugtrekt. In de herfst, wanneer het pakijs weer oprukt, migreren de ringelrobben mee naar het zuiden.

 

Normaal gesproken wordt deze soort niet in Nederland waargenomen, enkel incidenteel, als dwaalgast. Zo zijn er waarnemingen uit Nederland, België en Frankrijk bekend, dus moeten ze langs de Nederlandse kust gekomen zijn. De in Nederland aangetroffen dwaalgasten zijn over het algemeen vrij klein; ongeveer 20 kg zwaar.

 

 

Rosszeehond

 

 

De Rosszeehond is een in de Zuidelijke poolzee veel voorkomende zeehondensoort. Het is genoemd naar de Rosszee, een deel van de Zuidelijke poolzee.

 

Ross zeehonden zijn duidelijk kleiner dan andere zeehondensoorten. Ze worden ongeveer 2 meter lang en bereiken een gewicht van 200 kilo. De bovenkant van het lichaam is donkerbruin en de onderkant zilverachtig wit. Van dichtbij is deze zeehond makkelijk herkenbaar aan de grote ogen, die een doorsnede van 7 cm hebben.

 

Terwijl Weddellzeehonden en Zeeluipaarden in de antarctische zeeën veel voorkomen is de Ross zeehond een zeldzaam dier waar weinig onderzoek naar is gedaan. Het komt voor rond het gehele antarctische continent en dus niet alleen in de Ross zee, zoals de naam zou doen vermoeden. Als enige robbensoort verlaat het nooit de antarctische wateren, maar blijft steeds aan de rand van het pakijs.

 

De Ross zeehond is een solitair dier dat duikt naar inktvissen en vissen. Hierbij is het meer dan andere robbensoorten gespecialiseerd in het vangen van inktvissen, die ongeveer een derde deel van het voedsel uitmaken. Net als andere robbensoorten wordt op de Ross zeehond gejaagd door zwaardwalvissen en zeeluipaarden.

De Ross zeehond is in staat kwetterende geluiden te maken die onder water ver dragen. Het nut van deze geluiden is onbekend.

 

 

Steller zeeleeuw

 

 

De Stellerzeeleeuw (Eumetopias jubatus) is de grootste soort uit de familie der oorrobben (Otariidae). Het is de enige soort binnen het geslacht Eumetopias. De Stellerzeeleeuw is vernoemd naar de Duitse naturalist Georg Wilhelm Steller, die het dier als eerste beschreef in 1741. De Stellerzeeleeuw komt enkel voor in de Noordelijke Grote Oceaan.

 

De vachtkleur van een volwassen mannetje is aan de bovenzijde gelig bruin, aan de onderzijde roodachtig bruin. Het mannetje heeft ook stevige nek en een groot voorhoofd. Volwassen mannetjes worden drie keer zo groot als vrouwtjes, ongeveer 270 tot 320 centimeter lang en tot 1000 kilogram zwaar. Vrouwtjes worden slechts 190 tot 220 centimeter lang en 272 tot 365 kilogram zwaar. Vrouwtjes zijn ronder van vorm dan mannetjes en meer uniform lichtbruin tot roodachtig bruin van kleur. Bij zowel het mannetje als het vrouwtje zijn de flippers donkerder van kleur.

 

De Stellerzeeleeuw komt voor langs de rotskusten van Hokkaido, de Koerilen, Kamtsjatka, de Aleoeten en de Pribilofeilanden en Alaska, zuidwaarts tot Californië.

 

Stellerzeeleeuwen zijn zeer speelse dieren. Niet alleen de welpen, maar ook volwassen dieren spelen regelmatig langs de waterlijn en in het water. Op volle zee kunnen de zeeleeuwen waargenomen worden in groepen tot twaalf dieren.

 

De Stellerzeeleeuw jaagt voornamelijk 's nachts op een diepte van minder dan 180 meter, zo'n 15 tot 25 kilometer van de kust. Buiten de voortplantingstijd wagen ze zich verder weg van hun gebruikelijke woongebied. Hij jaagt voornamelijk op zeevis als Alaskakoolvis en haring, maar ook krabben, garnalen, octopussen, inktvissen en mosselen kunnen ten prooi vallen. Ook zwemt hij soms rivieren op om zalmen en prikken te vangen. Er zijn enkele gevallen van infanticide bekend, waarbij volwassen mannetjes jonge welpen opeten.

 

De paartijd duurt van mei tot augustus. Tijdens de paartijd trekken de zeeleeuwen naar de zuidelijk gelegen voortplantingsgronden. Een mannetje verovert een territorium en een harem, bestaande uit 10 tot 30 vrouwtjes. Hij verdedigt deze fel; ook vast hij enkele maanden. Vrijgezelle mannetjes en vrouwtjes die te jong of te oud zijn om zich voort te planten wonen in aparte kolonies.

 

In mei of juni trekken de vrouwtjes richting de territoria van de mannetjes. Hier werpen ze drie dagen later één jong. Het jong heeft een zwartbruine vacht. Hij is bij de geboorte zo'n 16 tot 23 kilogram zwaar en 100 centimeter lang. Binnen twee weken wordt het vrouwtje opnieuw gedekt door het mannetje.

Als het jong negen dagen oud is, gaat het vrouwtje foerageerreisjes ondernemen, die meestal één tot drie dagen lang zijn. Het jong is al die dagen alleen. Na zo'n reis blijft ze ongeveer een dag bij het jong om het te zogen. Na een maand gaan sommige jongen mee op zijn reis. Na zes maanden is het zwarte geboortekleed verruild voor een lichter gekleurde pels. De zoogtijd duurt meestal minder dan een jaar, alhoewel sommige jongen soms nog worden gezoogd als ze meer dan twee jaar oud zijn. Het kan dus voorkomen dat een vrouwtje wel drie jongen laat zogen, behalve het jong uit de vorige worp ook de jongen uit de twee daaraan voorafgaande worpen.

In augustus verlaten de mannetjes de voortplantingsterritoria en trekken naar het noorden toe. Vrouwtjes trekken later weg met hun jongen.

Als de vrouwtjes drie jaar oud zijn, worden ze voor het eerst gedekt. Mannetjes zijn geslachtsrijp na zes of zeven jaar. Meestal zullen ze echter pas rond hun tiende groot genoeg zijn om te concurreren met andere mannetjes.

In 1989 werd het aantal Stellerzeeleeuwen geschat op zo'n 110.000 individuen. Dit is ongeveer een derde van de geschatte wereldpopulatie in de jaren zestig. De reden voor de achteruitgang is onduidelijk.

 

 

Subantarctische pelsrob

 

 

Over de noordelijke zeeolifant heb ik helaas geen informatie kunnen vinden. Heeft u nog informatie over de noordelijk zeeolifant schroom dan niet om mij te mailen.

 

 

Walrus

 

 

De walrus (Odobenus rosmarus) is een robbensoort die in de koude zeeën van het noordelijke halfrond voorkomt. Er worden twee tot drie ondersoorten onderscheiden, de Atlantische (O. r. rosmarus), de iets grotere Pacifische (O. r. divergens) en de Laptewseewalrus (O. r. laptevi), die soms tot de ene, soms tot de andere ondersoort wordt gerekend.

De walrus hoort tot de orde van de roofdieren en is de enige nog levende soort in de familie der walrussen (Odobenidae).

De naam "walrus" komt van het Scandinavische "val ross", wat "walvispaard" betekent.

De zoologische naam Odobenus is afgeleid van de Griekse woorden odous (tand) en baino (gaan) en is gebaseerd op de waarneming dat walrussen zich aan land (op het ijs) soms voortbewegen door middel van hun slagtanden.

Rosmarus komt van het Zweedse woord voor walrus. Divergens (wegdraaien) komt uit het Latijn en heeft betrekking op de slagtanden.

 

Het meest opvallende kenmerk van de walrus zijn de lange slagtanden. Ze komen voor bij beide geslachten maar bij het mannetje zijn ze meestal langer, rechter en steviger. Over het algemeen worden de slagtanden zo'n 50 cm lang maar er zijn uitzonderingen tot een meter waargenomen.

Een ander opvallend kenmerk zijn de borstelachtige snorharen die van de bovenlip naar beneden hangen. Bij walrussen in de dierentuin zijn deze vaak heel prominent aanwezig maar bij in het wild levende dieren zijn ze meestal grotendeels afgesleten door het dagelijkse gebruik.

De kop van de walrus is vrij klein, zeker in verhouding tot het lichaam. Ook de ogen en de oren zijn klein.

De walrus behoort tot de grootste leden uit de orde der roofdieren. Enkel de zeeolifanten worden groter. Een volwassen dier weegt tussen de 700 en de 2000 kilogram. De mannetjes (bullen) zijn meestal veel groter dan de vrouwtjes (koeien). De bullen worden 280 tot 360 cm lang, gemiddeld 320 cm, en de koeien 230 tot 310 cm, gemiddeld 270 cm. Een bul weegt vaak meer dan een ton, gemiddeld zo'n 1270 kilogram, en een koe gemiddeld 850 kg. De walrus heeft een schouderhoogte van gemiddeld 1 meter.

Vanuit de verte beschouwd ziet een walrus er kaal uit maar in werkelijkheid zijn ze bedekt met een korte borstelachtige vacht. De huid is extreem dik en geplooid. Vooral op de schouders en de nek is de huid zeer dik, tot 4 centimeter. Oudere mannetjes hebben hier vele kleine knobbeltjes zitten. Ook hebben mannetjes over het lichaam verspreid meerdere littekens.

Direct na de geboorte heeft een walrus een grijsbruine kleur, die na een week of twee helder roodbruin wordt. In de loop van de jaren worden ze steeds bleker om uiteindelijk geelachtig bruin te worden. Aan de kleur kan men dus de leeftijd van een walrus schatten. Een gezonde, volwassen dier heeft een kaneelbruine kleur, oudere mannetjes kunnen zelfs bijna wit van kleur zijn. Bij warmere temperaturen raakt de huid verzadigd met bloed, waardoor de dieren een roodachtige kleur krijgen.

Een jonge walrus heeft nog geen slagtanden maar wel een volledig gebit. Nadat de beide slagtanden (de beide bovenste hoektanden) beginnen te groeien verliezen ze al snel hun snijtanden en ook de andere tanden degenereren.

Net als de (waarschijnlijk verwante) oorrobben hebben walrussen zeer beweeglijke flippers waardoor ze aan land beweeglijker zijn dan bijvoorbeeld een zeehond. Het penisbot van de bullen is met een lengte van meer dan 60 cm het langste in het gehele dierenrijk, zowel in absolute lengte als ook in verhouding tot de lichaamsgrootte.

 

Meestal verblijven walrussen op het drijfijs in de poolzee. In de herfst en winter trekken ze zuidwaarts om het pakijs te vermijden. Ze verlaten het poolgebied echter nooit. 's Winters houden ze zich vooral op langs de randen van het pakijs of in polynya's, gebieden met permanent open water. Zomers verblijven ze voornamelijk aan de kust van het vasteland en op kleine eilandjes. Walrussen zijn zelden verder dan 15 kilometer van de kust verwijderd.

Er bestaan vier van elkaar gescheiden populaties:

  • De Pacifische walrus verblijft in de winter in de Beringzee. In de zomer trekken ze door de Beringstraat noordwaarts naar de Tsjoektsjenzee.

  • De westelijke populatie van de Atlantische walrus leeft tussen de Hudsonbaai en de westkust van Groenland;

  • De oostelijke populatie van de Atlantische walrus leeft tussen de oostkust van Groenland en Spitsbergen;

  • Aan de noordkust van Siberië leeft O. r. laptevi, de Laptewseewalrus.

De Pacifische walrus wordt meestal groter dan de Atlantische.

 

De walrus is een sociaal dagdier, dat een groot gedeelte van zijn leven in het water doorbrengt. Hier vinden ze ook hun belangrijkste voedsel: tweekleppige schelpdieren.

 

Walrussen zoeken hun voedsel in het water waarbij ze tot 100 meter diep en gedurende 30 minuten kunnen duiken. Het meeste voedsel zoeken ze echter op een diepte tussen de 10 en de 50 meter, waarbij ze zo'n 10 minuten onder blijven. Ze vangen soms vis, maar hun hoofdvoedsel bestaat uit tweekleppigen als mosselen, en ook andere ongewervelde bodemdieren als slakken, kreeftachtigen en stekelhuidigen als zeekomkommers. Walrussen eten tot 45 kilogram aan voedsel per dag.

Bij het zoeken naar dit voedsel in de modderige bodem gebruiken ze hun borstelsnor, waarmee ze het zand uitkammen. De snor is zeer gevoelig, en de walrus kan hiermee een zeer kleine steen van een zeer kleine mossel onderscheiden. De slagtanden worden hierbij niet gebruikt. Mosselen en slakken worden gekraakt tussen de voorflippers of tussen de lippen. Tijdens het eten krijgen ze ook een grote hoeveelheid zand en grind binnen.

Hoewel kleine dieren dus het hoofdvoedsel vormen schrikt een walrus niet terug voor grotere prooi. Andere robbensoorten worden soms door een walrus gevangen en opgegeten. Aangezien walrussen geen actieve jagers zijn komt dit echter zelden voor. Ook zijn gevallen van kannibalisme bekend waarbij een ouder dier een pasgeboren walrussenjong opvrat.

Echte vijanden heeft de walrus nauwelijks. Een ijsbeer zal zo nu en dan proberen een kudde op te schrikken om zich te vergrijpen aan achterblijvende zwakke of jonge dieren, maar zal niet gauw een gezond volwassen dier aanvallen. Ook orka's grijpen soms een walrus. De belangrijkste vijand van de walrus is de Inuit. Walrussen kunnen bijzonder agressief zijn tegen ijsberen, maar ook tegen witte dolfijnen.

 

Gedurende ongeveer de helft van hun leven houden walrussen zich op langs de kust van pooleilanden of aan de rand van het pakijs, waar ze zich verzamelen in grote kuddes, waarbij de dieren vaak zeer dicht op elkaar liggen. Een solitaire walrus is zeldzaam. Meestal gaat het dan om een ziek of gewond dier.

Buiten de paartijd zijn deze kuddes per geslacht gescheiden. Binnen een kudde bestaat een vaste rangorde die wordt bepaald door grootte van de slagtanden en lichaamsgrootte. Vooral bullen kunnen, zelfs buiten de paartijd, gevechten aangaan die meestal als oorzaak strijd om een rustplaats hebben. Als dreigen niet voldoende is dan wordt de strijd aangegaan waarbij ook de slagtanden worden gebruikt, wat vaak tot bloedige wonden leidt.

In de paartijd verzamelen de walrussen zich in nog grotere kuddes die - in gebieden waar de jacht nog geen ernstige gevolgen heeft gehad - uit vele duizenden dieren kunnen bestaan. Kuststroken met een lengte van 100 km of meer worden dan door een enkele kolonie bezet. Jonge en zwakkere bullen hebben in de concurrentiestrijd geen kans en verzamelen zich aan de rand van de groep. Voor iedere twintig koeien is er een bul die sterk genoeg is om een harem voor zichzelf te veroveren. Ook hier komt het vaak tot heftige gevechten tussen bullen.

 

De paartijd valt in januari en februari. De paring gebeurt waarschijnlijk in het water. De walrus kent een verlengde draagtijd: na de bevruchting wordt de eicel enige tijd (ongeveer 4 à 5 maanden) slapend gehouden (het ontwikkelt zich dan niet verder) voordat de eigenlijke draagtijd begint. 14 tot 16 maanden na de paring wordt een jong geboren, van mid-april tot mid-juni.

Er wordt steeds maar één jong geboren dat bij de geboorte ongeveer een meter lang is en 60 kilogram zwaar. Hij kan direct zwemmen. Tweelingen zijn zeldzaam, maar komen voor. Als de moeder gaat zwemmen, houdt het jong zich vast aan de nek. Ook houdt de moeder het jong vast tussen de voorpoten.

Na twee jaar wordt het jong gespeend, maar het blijft nog een tot drie jaar bij de moeder. De vrouwtjes blijven meestal bij de vrouwtjesgroepen, mannetjes sluiten zich aan bij andere jonge mannetjes.

Vrouwtjes zijn meestal geslachtsrijp op vijf- tot zesjarige leeftijd, de mannetjes op negen- tot tienjarige leeftijd. Mannetjes zullen zich meestal pas voortplanten als ze 14 tot 16 jaar oud zijn.

Een walrus kan veertig jaar oud worden, maar wordt meestal 16 tot 30 jaar oud.

 

Voor de Inuit is de walrus heel belangrijk, zowel in religieus opzicht als voor de dagelijkse voorziening. Het dier levert vlees en traan en de slagtanden worden, tezamen met de andere botten, gebruikt als waardevol bouwmateriaal. De jacht door de Inuit was nooit bedreigend voor het voortbestaan van de soort.

 

Toen de blanke mens de poolzee had bereikt werd de situatie voor de walrussenkolonies fataal. Ze werden nu intensief bejaagd, vooral voor het ivoor van hun slagtanden. Langs de oostkust van Noord-Amerika kwamen ze voor tot bij Cape Cod en de Baai van St. Laurens. In de 16e en 17e eeuw werden hier ieder jaar vele duizenden dieren gedood. In de 19e eeuw kwam zuidelijk van Labrador geen walrus meer voor. Op hun zoektocht naar meer kolonies drongen de jagers steeds verder in afgelegen gebieden door. Een indruk van de slachting krijgt men als men weet dat alleen al tussen 1925 en 1931 langs de kust van het Canadese pooleiland Baffinland 175.000 walrussen werden gedood. De Atlantische walrus was hierdoor bijna uitgestorven. Om onbekende redenen hebben de aantallen zich na het stopzetten van de massale jacht niet echt hersteld. Met ongeveer 15.000 Atlantische walrussen is dit slechts een klein deel van de oorspronkelijke aantallen.

De Pacifische walrus werd op vergelijkbare manier gedecimeerd, hoewel de jacht hier veel later begon. Dankzij beschermende maatregelen door de VS en Rusland hebben de aantallen zich hier echter vertienvoudigd zodat er nu weer zo'n 200.000 Pacifische walrussen zijn.

Er zijn gevallen bekend dat walrussen mensen hebben aangevallen. Meestal betrof het hierbij kleine boten (Kajaks) die door agressieve bullen werden omgegooid waarna de inzittenden soms werden gedood. De mens behoort echter niet tot het voedingsspektrum van de walrus. Deze aanvallen zijn meestal ontstaan als afweer van indringers in het walrussen-territorium.

 

Gedurende het Pleistoceen was de walrus al wijd verbreid, waarschijnlijk doordat ten tijde van de ijstijden de omstandigheden voor hen zeer gunstig waren. Uit die tijd zijn overblijfselen van walrussen gevonden langs de kusten van Europa en Californië.

In het dolfinarium Harderwijk bevinden zich een aantal walrussen waarmee voorstellingen worden gegeven.

De Duitse omroep NDR heeft als mascotte een walrus. Model hiervoor stond Antje, een walrus die leeft in een dierenpark in Hamburg.

 

 

Wedell zeerob

 

 

De Weddellzeehond (Leptonychotes weddellii) is een van de meest voorkomende zeehonden in Antarctica en genoemd naar de Weddellzee, een deel van de Zuidelijke Oceaan.

 

Kenmerken

De Weddellzeehond is staalgrijs van kleur en heeft over het hele lichaam lichte, witte of gelige vlekken. In de zomer verbleken de kleuren en om in de winter weer intensiever te worden.

De Weddellzeehond is ongeveer 250 cm lang en kan soms tot 300 cm lang worden en weegt gemiddeld 400 kg. De kop is verhoudingsgewijs klein met een korte snuit, waarddor hij makkelijk te onderscheiden is van andere zeehonden in Antarctica.

De zeehond voedt zich bijna uitsluitend met vis. Ze kunnen tot 600 m diep duiken en tot een uur onder water blijven.

Op het ijs zijn de dieren traag en zeer mak doordat ze daar geen vijanden hebben. In het water is hun grootste vijand de Zwaardwalvis. Op de vlucht proberen ze dicht onder de ijskorst te komen, waar ze onbereikbaar zijn voor hun vijand.

De jongen worden in het voorjaar (september/oktober) op het ijs geboren.

 

Verspreiding

De zeehond komt in het gehele Antarctische gebied aan de rand van het pakijs voor. In de winter trekken de dieren niet weg, maar houden een wak in het ijs open door het ijs met hun hoektanden weg te knagen. Dit wak kunnen ze openhouden tot het omringende ijs een dikte van 2 m heeft bereikt.

 

 

 

Zadelrob

 

 

De zadelrob (Pagophilus groenlandicus of Phoca groenlandica) is een zeehond, die voornamelijk in de Noordelijke IJszee, rond de Noordpool leeft. De jongen van de zadelrob werden wereldberoemd toen films van pelsdierjagers, die de jongen doodknuppelen voor de vacht, in veel landen op de televisie te zien waren. Door deze beelden protesteerden veel mensen tegen deze vorm van jagen.

 

Kenmerken

De zadelrob heeft een lichtgrijze vacht met een zwarte kop. Over de flanken en over de rug loopt een zwarte band, die volgens sommigen op een zadel lijkt (vandaar de naam). Bij vrouwtjes is de tekening bleker en vaak afgebroken, waardoor het meer op vlekken lijkt dan op een volledige band.

De jongen van de zadelrob hebben bij de geboorte een dikke, witte vacht. Deze vacht wordt vervangen door een juveniele vacht, die bedekt is met donkere vlekken. De bovenzijde wordt lichter, terwijl de onderzijde donkerder wordt. De vlekken worden hierdoor minder duidelijk. Als de dieren drie jaar oud zijn, zijn de tekeningen onduidelijk, en de vacht is lichtgrijs. Als de dieren vier jaar oud zijn, ontwikkelt zich de volwassen zwarte bandtekening, die pas voltooid is rond de tijd dat het dier geslachtsrijp is.

Een volwassen zadelrob wordt 168 tot 190 centimeter lang en 120 tot 140 kg zwaar. Mannetjes worden groter dan vrouwtjes. Vrouwtjes worden gemiddeld 179 centimeter lang en 120 kilogram zwaar, mannetjes 183 centimeter lang en 135 kilogram.

 

Zadelrobben leven van schaaldieren en vissen. De belangrijkste voedselbron is lodde. Ze kunnen 150 tot 200 meter diep duiken om daar te jagen op vissen als haring en kabeljauw. De zadelrob kan 30 minuten onder water blijven en 280 meter diep duiken.

Het zijn sociale dieren, die zich in februari en maart in grote voortplantingskolonieën op het ijs verzamelen, waar de dieren hun jongen in werpen, paren en ruien. Oude mannetjes leven alleen of in kleine groepjes.

De paartijd valt in maart. De draagtijd duurt 7,5 maand. De zadelrob kent een verlengde draagtijd van 11 weken, waardoor de jongen pas 11 maanden na de paring worden geboren, in februari en maart. De zadelrobben krijgen bij de geboorte één jong. Het vrouwtje zoogt de jongen 2 à 3 keer per dag. Na twaalf dagen worden de jongen gespeend. De jongen zijn bij de geboorte 93 tot 108 centimeter lang en 11,8 kilogram zwaar.

Het vrouwtje wordt na 4 tot 7 jaar geslachtsrijp, het mannetje na 5,5 jaar. Meestal zijn mannetjes na 8 jaar seksueel actief.

Zadelrobben worden maximaal 30 jaar oud.

 

Verspreiding

Deze dieren leven komen voor in de noordelijke Atlantische Oceaan en de Noordelijke IJszee: Canada, IJsland, Groenland, Noorwegen en Noord-Rusland. Zadelrobben besteden het grootste gedeelte van hun leven in het water. Om te paren, te jongen en te ruien klimmen ze op zeeijs. Er zijn drie afzonderlijke werpgebieden: één voor de kust van Newfoundland, één voor de kust van Jan Mayen en één in de Witte Zee. Verdwaalde zadelrobben worden aangetroffen in Schotland en de Shetlandeilanden. Bij hoge uitzondering worden ze in Nederland waargenomen.

Op de soort wordt flink gejaagd. In 1994 werd hun aantal op 4,5 miljoen geschat. Andere bronnen schatten hun aantal op 2 miljoen.

 

 

zeeluipaard

De zeeluipaard (Hydrurga leptonyx) is een zeehond uit de familie Phocidae. Het is de enige soort uit het geslacht Hydrurga.

 

Kenmerken

Hun lichaam is sterk gestroomlijnd, waardoor ze hoge snelheden in het water kunnen bereiken. Hun kop is sterk afgevlakt en lijkt daardoor wel reptielachtig. Met hun lange voorpoten bewegen ze zich door het water. Een mannetje is ongeveer 3 m lang en 270 kg zwaar. De vrouwtjes kunnen tot 4 m lang en 400 kg zwaar worden. De kleur is aan de bovenzijde van het lichaam donkergrijs en aan de onderzijde zilverwit. Op de kop en aan de zijkanten komen grijze vlekken voor.

De zeeluipaard wordt algemeen erkend als het meest roofachtige dier in Antarctica. Ze leven langs de randen van het pakijs. Hun aantal wordt op 400.000 dieren geschat.

 

Voedsel en gedrag

Ze leven van veel verschillende dieren, zoals de pijlinktvis, koningspinguïns en keizerspinguïns, krill, zeevissen, en Weddellzeehonden. Ze voeden zich het liefst met de warmbloedige dieren. Sommige zeeluipaarden hebben zich gespecialiseerd in het vangen van Weddellzeehonden en anderen in het vangen van pinguïns. Indien noodzakelijk achtervolgen ze hun prooi tot op het ijs. Ze hebben voor het vangen van hun prooi een extra grote bek en vrij scherpe tanden. Sommige van de prooien, vooral pinguïns, worden met de poten gepakt en dan doodgeslagen door hun prooi herhaaldelijk op het wateroppervlak te meppen. Ze gaan hiermee door totdat de pinguïn is gevild.

 

 

 

zuidafrikaanse  pelsrob

 

 

De Kaapse pelsrob, Zuid-Afrikaanse pelsrob of Zuid-Afrikaanse zeebeer (Arctocephalus pusillus pusillus) is een oorrob die te vinden is aan de Atlantische kust van Zuid-Afrika en Namibië. Hij is nauw verwant aan de West-Australische pelsrob (Arctocephalus pusillus doriferus).

 

Leefgebied

Langs de Atlantische kust zijn er zo'n 20 koloniën van Kaapse pelsrobben. Zo bevindt zich een kolonie vlak onder Kaapstad op wat rotsen voor de kust bij het plaatsje Houtbaai. Ook in de haven van Kaapstad zwemmen pelsrobben. Een enorme kolonie Kaapse pelsrobben bevindt zich in Namibië bij Kaap Kruis. Doorgaans treft men hier zo'n 80.000 dieren aan, maar laat in het voorjaar (november en december) wanneer de jongen worden geboren, kan de populatie groeien tot meer dan 200.000 exemplaren. Een andere grote kolonie treft men aan bij Lüderitz. Langs de zuidkust van Zuid-Afrika komen pelsrobben voor tot aan de havenstad Port Elizabeth.

 

Voortplanting

In het vroege voorjaar komen de stieren aan land en verzamelen ze de wijfjes rond zich. Tussen de mannetjes vinden felle gevechten om de wijfjes plaats. In oktober wordt er gepaard en in november en december worden de jongen geboren.

Veel jonge robben komen vroeg om het leven. Ze worden doodgedrukt in de menigte, raken hun moeder kwijt, of worden gedood door roofdieren zoals hyena's en jakhalzen.

 

Voedsel

Kaapse pelsrobben voeden zich met vis (70%) en inktvis (20%). De koude Benguela golfstroom langs de Atlantische kust van Zuid-Afrika en Namibië is rijk aan voedsel voor de robben.

 

 

 

zuidelijke zeeolifant

 

 

De zuidelijke zeeolifant (Mirounga leonina) is een van de twee soorten zeeolifanten.

 

Kenmerken

De Zeeolifant dankt zijn naam aan zijn grootte en het feit dat de volwassen mannetjes een lange slurf (proboscis) hebben, waarmee ze buitengewoon luid kunnen brullen, vooral tijdens de paringstijd. Mannetjes kunnen 6,5 meter lang worden en tot 4000 kilogram wegen. Er is een groot verschil in grootte tussen de vrouwtjes (koeien) en de mannetjes (stieren).

 

Voedsel

Zeeolifanten zoeken in diep water naar voedsel. Ze kunnen tot ongeveer 1500 meter diep duiken en meer dan twee uur onder water blijven. Het duikrecord van een zeeolifant staat in 2005 op 1529 meter. Ze voeden zich met koppotigen zoals inktvis en zeekat en grote vissen inclusief haaien. In zee blijven ze veel onder water en komen tussen twee duiken slechts enkele minuten boven water.

 

Voortplanting

Vrouwtjes worden gemiddeld 20 jaar oud en zijn vanaf 3 tot 4 jaar vruchtbaar. Mannetjes zijn na vijf jaar volwassen, maar bereiken pas op achtjarige leeftijd de alpha-status. Mannetjes worden gemiddeld 14 jaar oud en zijn beslist niet monogaam van aard. In een seizoen kan één mannetje tot 40 vrouwtjes bevruchten.

 

Verspreiding

Zuidelijke zeeolifanten komen voor rond Antarctica. 's Zomers zitten ze aan de kust en 's winters in het water. Ze kwamen in grote aantallen voor in Tasmanië, maar zijn er praktisch uitgeroeid door de zeerobben-industrie. Meestal worden ze gezien op de kusten van Nieuw-Zeeland en Zuid-Afrika. Ze groeien op de eilanden voor Antarctica op. De grootste populatie, bijna de helft van alle levende zeeolifanten, leeft op Zuid-Georgia. Verder komen er nog flinke populaties voor op Macquarie-eiland (meer dan 80,000 dieren), Heard-eiland en de Kerguelen. In totaal zijn er nu nog ongeveer 600.000 zeeolifanten, maar ze gaan in aantal weer achteruit, misschien door overbevolking.

 

 

Pagina 1     Pagina 2     Pagina 3

 

 

Belangrijke bronnen van deze info zijn Wikipedia en zeehondencrèche Pieterburen