Boeddhisme
De door
Boeddha in de 6de en 5de eeuw v.C. gestichte godsdienst. Het is
ontstaan uit het brahmanisme. Alle bestaan is lijden; verlossing
daarvan in een normaal aards bestaan is niet mogelijk, want
alles wat sterft gaat in nieuw leven over; aan de kringloop van
het bestaan is niet te ontkomen, alles is onderworpen aan de
samsara, de
eeuwige kringloop der wedergeboorten. Van deze denkbeelden gaat
het boeddhisme uit en het vraagt: hoe kan men zich ontworstelen
aan deze kringloop? Hoe kan men ontkomen aan de automatische
macht van het karman en aan de voortdurende, eindige
bestaansvormen? De upanishads leerden dat verlossing uit deze
kringloop slechts mogelijk is voor wie het brahman en de
wezensidentiteit daarvan met zijn eigen ik existentieel heeft
leren ervaren. Dan leert Boeddha de vier edele waarheden en het
achtvoudige pad. Alle bestaan is lijden, omdat alles
vergankelijk is (sarvam
anityam). Dit
lijden ontstaat door de begeerte naar het aardse, waaraan men
zich nooit verzadigt, omdat het slechts schijn is. Daarom moet
men naar de vernietiging van de begeerte streven om het leven
vast te houden. Niet iets onsterfelijks (een ziel) is de oorzaak
van de nieuwe bestaansvorm die de stervende wacht, maar wel de
nog niet volkomen uitgebluste wil om te leven; de begeerte neemt
bij het scheiden van de ene bestaansvorm een nieuwe gedaante van
bestaan aan, die overeenstemt met de aard van de levensbegeerte.
Dit is het karman
(oorspronkelijk: handeling, handeling met het noodzakelijk
gevolg), dat de aard van de nieuwe gedaanten bepaalt. Het het
niet schaden van al wat leeft of de sympathie voor heel de ons
omringende levende wereld; het niet stelen, met als tegenhanger
het beoefenen van vrijgevigheid; de kuisheid, waaraan de monnik
zich streng te houden heeft; het niet liegen of het steeds en
overal waarheid spreken; de algehele onthouding van sterke
dranken; de voortdurende waakzaamheid. Heeft de volgeling van
Boeddha deze voorschriften opgevolgd en is het hem gelukt zijn
lichamelijk leven te beheersen, dan volgt de eis van volledige
meditatie of ingedeeld en moet ten einde toe doorlopen worden om
dan over te gaan in het hoogste inzicht. Zo ontstaat de
overwinning van de schijn, de verlossing: nirwana.
Het
nirwana
(lett.: 'de toestand van uitgewaaid, gedoofd zijn zoals een
vlam') is niet met aardse begrippen te vatten en valt buiten de
gewone categorieën. Het is de volledige rust, de volmaakte
inwendige vrede, de absolute vernietiging van alle begeerte,
afkeer en dwaling, de vernietiging van het worden. Ofschoon het
als onsterfelijkheid, bestendigheid, reinheid, rust, toevlucht,
enz. wordt omschreven, is het, als het 'Ganz Andere' en als
tegenstelling van de fenomenale wereld niet met positieve
begrippen te omschrijven. Het is echter ook niet een 'niets'.
Het lichaam behoeft nog niet gestorven te zijn, kan nog een
fysiek bestaan leiden, waarin de resten van het karman worden
opgeteerd, maar dat met de dood geheel eindigt. Eerst dan is men
voorgoed verlost van de ellende van het bestaan.
De ware weg tot
het nirwana is alleen toegankelijk voor hen die besluiten lid te
worden van de orde van de monniken
(Sangha).
Toch heeft Boeddha ook voor heel de overige wereld woorden van
wijsheid en troost. Hij maant tot een deugdzaam leven, legt zijn
leke-aanhangers het eerste vijftal van de voor zijn discipelen
geldende geboden op en weet ook hen aan te sporen tot een
zedelijk en plichtsgetrouw bestaan.
Het
oorspronkelijke boeddhisme onderging, sedert 250 v.C. de
zendingsarbeid begon, grote wijzigingen door aanpassing aan
andere denkbeelden en godsdienstvormen.
Hinayana
Richting van het boeddhisme, zo genoemd in de latere
Mahayanistische geschriften.
Hinayana
betekent 'Klein voertuig' [of beter] 'Het kleine, mindere pad',
in tegenstelling tot
Mahayana: 'Groot
voertuig' of 'Het grote, betere pad'. Kort na de dood van
Gautama Boeddha (ca. 480 v.C.) had te Rajagriha een eerste
concilie van 500 monniken plaats, waar op grond van Boeddha's
uitspraken de authentieke vorm van de leer werd vastgesteld. Het
werd 100 jaar later gevolgd door een tweede te Vaisali, waar
echter ten aanzien van de discipline in de orde geen
eensgezindheid meer kon worden bereikt. Volgens een traditie zou
zich 137 jaar na Boeddha's dood het eerste schisma voltrokken
hebben: de Mahasanghika's of 'Leden der grote Gemeenschap', die
o.a. leerden dat een
arhat, d.i. een
verloste, nog twijfel kan koesteren en niet geheel het hoogste
inzicht deelachtig behoeft te zijn, scheidden zich af van de
Sthaviravadins of 'Aanhangers van de leer der Ouden'. Uit de
eerste groep kwamen verder nog vijf, uit de tweede elf scholen
voort, zodat in totaal 18 scholen onderscheiden worden. Enige
zeer belangrijke daarvan zijn de
Sarvastivada
(die leren dat 'alles', d.i. het verleden en de toekomst
evenzeer als het heden, 'is': van belang voor de karmanleer) en
de Sautrantika
(die zich vooral op Boeddha's preken beriepen).
Belangrijk is het
derde concilie van de Sthaviravadins te Pataliputra, onder de
bescherming van keizer
Asjoka, door wiens toedoen het boeddhisme aan invloed en
uitbreiding won. Twee feiten dienen aangestipt. Ten eerste werd
op dit concilie de canon van de Sthavira's (Tripitaka)
vastgesteld in drie delen: 1.
Vinayapitaka of
de leer van de discipline en de voorschriften voor het
kloosterleven; 2.
Sutra pitaka of
een verklaring van Boeddha's leer met de preken: 3.
Abhidharmapitaka,
die allerlei exegetische en scholastische verklaringen bevat.
Deze canon is ons overgeleverd in Pali.
Naast deze bestond echter de Sanskriet-canon van de
Sarvastivadins, die bekend is door allerlei fragmenten in
Chinese en Tibetaanse vertalingen.
De voornaamste
school van de Sthaviravadarichting vormden de Sarvastivadins.
Zij hadden zich gevestigd in het noorden van India, in Kashmir.
Hun wereldbeschouwing was realistisch. De Hinayanisten
aanvaarden in het algemeen in plaats van de ziel als absolute
werkelijkheid een 'stroom' van
dharma's (alle
onderling samenhangende elementen die de waarneembare wereld
vormen). Het doel van het bestaan is het bereiken van het
nirwana, dat zij opvatten als een volkomen onderdrukking en tot
stilstand brengen van alle leven. Hun levensopvatting is
moralistisch-ethisch en ascetisch en op uiteindelijke
persoonlijke bevrijding gericht. In overeenstemming daarmee
stellen zij tot ideaal het leven van de heilige, de
arhat,
bereikt door een ingewikkelde methode van innerlijke
concentratie en meditatie.
Ten tweede werd te
Pataliputra besloten tot missiewerk en werd de eerste stoot
gegeven tot universele verspreiding door de bekering van Ceylon
(Sri Lanka) dat steeds een van de voornaamste centra van
boeddhisme is gebleven. Zelfs zond Asjoka gezanten naar de
hellenistische vorsten van Bactrië en Sogdië.
Bronnen voor de
geschiedenis van het Hinayana en de ontwikkeling van het
hinayanistische denken zijn o.a. de
Kathavatthu, Dipavamsa, Mahavamsa
en Milindapanha
in het Pali en in enige Sanskriet-, Tibetaanse en Chinese
werken. Het boeddhisme in zijn Hinayanavorm bestaat nu nog
hoofdzakelijk in Sri Lanka, Birma en Cambodja.
Mahayana
Ca. 100 n.C. had onder de Indoscythische vorst Kaniska (78-120)
in Kashmir het vierde concilie plaats te Jalandhara of te
Kundalavana. Rondom deze tijd neemt het zich reeds ongeveer een
eeuw eerder aftekenende Mahayana duidelijker gestalte aan met
een nieuwe, altruïstische, van de bhakti doordrongen moraal.
Mahayana is een verzamelnaam voor verschillende richtingen en
scholen in het latere boeddhisme, waarvan de kiemen echter reeds
in het oorspronkelijke boeddhisme, mogelijk bij de
Mahasanghika's, aanwezig waren. De naam dateert uit de 1ste eeuw
v.C. en wordt uitsluitend in de Mahayanageschriften gebezigd.
Men kan in het Mahayana de volgende punten aanstippen: 1. de
historische Boeddha werd één in de rij van de vele uitstralingen
van het goddelijke in de wereld; 2. het te voorschijn treden van
bodhisattva's ('tot het boeddhaschap bestemden') die, bijna aan
Boeddha gelijk, zich bekommeren om het welzijn van de
stervelingen en door dezen worden aangeroepen; 3. verdringing
van de gedachte aan nirwana door voorstellingen van hemel en
hel. Hiermee echter bleef ook de onenigheid niet uit, waartegen
reeds vroeg met matig succes algemene concilies zijn
samengeroepen. Streven de volgelingen van het Hinayana eigen
heil en verlossing na, de Mahayanavolgelingen prediken bovenal
het universele heil, de universele verlossing van alle levende
wezens. In hun kring ontstond een leer die de 'Volkomenheid der
volmaakte Wijsheid', de
Prajnaparamita,
werd genoemd. Kernbegrip van deze leer was de
sjunyata, lett.:
'het leegzijn', d.i. 'zonder attributen zijn'. Werd door de
Sarvastivadins geleerd dat alle bestaanselementen - de dharma's
- causaal verbonden en reëel zijn, in deze nieuwe leer werd de
realiteit van deze elementen ontkend, juist omdat zij causaal
verbonden zijn. Hun 'betrekkelijkheid' wordt nu vooropgesteld.
Zij bestaan niet als absolute werkelijkheid, maar slechts als
fenomeen. Absoluut is slechts de onafhankelijke,
ondoorgrondelijke, onveranderlijke en monistisch opgevatte
werkelijkheid, die niet in woorden te vatten is en alle
verhoudingen te boven gaat. De logica wordt dan ook als geheel
en al ontoereikend kenmiddel verworpen. Het 'Absolute Zijn' kan
slechts in opperste extase ervaren worden en laat slechts een
'achteraf verkregen' kennis na. Deze leer werd door de wijsgeren
Nagarjuna (3de eeuw n.C.) en Aryadeva in een vast systeem
gegoten, nl. de leer van de
Madhyamika's,
dwz. de leer van het Middenpad, waarin op de grondslag van het
universeel betrekkelijke zowel het extreme nihilisme als het
extreme realisme werd verworpen. Het scherpe onderscheid tussen
nirwana (absoluut zijn) en samsara
(empirisch bestaan), tussen het 'Absolute' en het empirische,
fenomenale bestaan, werd opgeheven. Nirvana is de wereld gezien
'sub specie aeternitatis'; de samsara slechts een andere vorm
van het nirwana. De empirische wereld heeft waarde als terrein
voor het beoefenen van universele liefde.
De opvatting
omtrent Boeddha's leven als historische persoonlijkheid maakt
plaats voor een docetische opvatting. Men onderscheidt drie
Boeddha- 'lichamen': de
Dharmakaya, het
eeuwige en transcendente kosmische lichaam, dat geïdentificeerd
werd met het 'Absoluut Zijnde' en met de 'Volmaakte Wijsheid',
tevens met de Leer of Dharma (de natuur van Boeddha, het wezen
van zijn leer en de laatste realiteit zijn identiek); de
Sambhogakaya,
het lichaam van volmaakte 'Zaligheid', dat eigenlijk het vorig
lichaam is in een meer persoonlijk voor de bodhisattva's
waarneembaar aspect en dus onze westerse conceptie van 'God'
benadert; en de
Nirmanakaya,
het 'Transformatielichaam', d.i. de verschijningsvorm waarin de
Boeddha hier op aarde werkt, tot zegen van de mensheid. Deze
leer schijnt haar definitieve vorm gekregen te hebben bij de
wijsgeer Asangga (eind 4de eeuw). Een uitgebreid ritueel
ontstond. De twee voornaamste Madhyamikarichtingen waren de
sekten van de Prasangika's, die een extreem standpunt innamen -
een grote figuur was Chandrakirti, eind 6de eeuw - en van de
Svatantrika's, die meer gematigd waren. Deze laatsten stelden
tegenover de negatieve dialectiek van eerstgenoemden een
positieve en aanvaardden tot op zekere hoogte logica als
kenmiddel.
Zij gingen van het
standpunt uit, dat het kennen van de waarheid en van de ware
natuur van de dingen geschiedt door middel van het bewustzijn,
zodat dit 'werkelijk' moest zijn. Immers, de 'werkelijkheid' kan
slechts gekend worden door de werkelijkheid. Op grond hiervan
ontwikkelden zij een volledig idealistisch stelsel, waarin alle
phaenomena tot 'niets dan idee' gereduceerd werden. De
buitenwereld en de innerlijke gedachtewereld bestaan niet als
grootheden op zichzelf, maar hebben slechts waarde als
verschijningsvorm van de idee. Alles existeert alleen in het
bewustzijn. Ieder onderscheid tussen kenner en het gekende is in
waarheid niet-bestaand. De dharma's, die in het eerste stadium
van boeddhistisch denken een reëel karakter hadden, in het
tweede een relatief karakter, verkregen in het derde stadium een
idealistisch karakter. Deze wereld van de geestelijke
verschijnselen is echter geen droomwereld. Haar mechanisme wordt
verklaard door de hypothese van het 'Bewaarplaatsbewustzijn'
(alayavijñana),
gevormd uit de opeenhoping van de sporen of indrukken van alle
vroegere fenomenen. Het is een soort psychische voedingsbodem,
waarop zich de indrukken als kiemen ontwikkelen en op elkaar
inwerken om hunnerzijds nieuwe geestelijke fenomenen voort te
brengen. Het is te vergelijken met een steeds stromende rivier
waarvan de watermoleculen steeds vernieuwd worden. Deze
hypothese verklaart ook de vergelding van daden volgens het
karmanprincipe: de onderbewuste 'psychische stroom' stroomt nl.
ook na de dood voort en brengt zo de samenhang tussen de
verschillende existenties tot stand. De wereld zag men onder
drie aspecten, nl. het absolute aspect, het betrekkelijke aspect
en het ingebeelde aspect. Heilsweg, boeddhologie en cultus waren
min of meer dezelfde als bij de Madhyamika's. Dit stelsel staat
op naam van Asangga en Vasubandhu.
De bloeitijd van
dit stelsel viel samen met de regeringsperiode van de
Gupta's, toen India een hoogtepunt in zijn cultuurgeschiedenis
bereikte. Deze twee grote richtingen met haar sekten vormen
samen het Indische
Mahayana-boeddhisme.
Uit het Yogacarasysteem heeft zich een school van grote logici
ontwikkeld, die het gehele Indische wijsgerige leven sindsdien
beïnvloed hebben. De belangrijksten waren Dignaga (eind 5de
eeuw) en Dharmakirti (begin 7de eeuw). Al deze schrijvers hebben
een grote commentaarliteratuur achtergelaten, waarvan de
Sanskrietoriginelen helaas veelal verloren zijn gegaan, maar
waarvan nog vertalingen voorhanden zijn in het Tibetaans,
Chinees, Mongools of Japans.
Het
Mahayana-boeddhisme heeft zich over geheel Oost-Azië verspreid
en heeft zich in China tijdelijk in een grote bloei mogen
verheugen (zie ook Chinese godsdienst). In 552 n.C. kwam het via
Korea (reeds in 372) naar Japan, waar het tot op heden een grote
invloed op het geestesleven heeft uitgeoefend (zie voorts Japan
en Korea). De studie van het boeddhisme wordt in Japan ook
wetenschappelijk bedreven. Men heeft er vele boeddhistische
bibliotheken en universiteiten, waar standaardwerken het licht
zien. Doelbewust streefde men er, in verband met Panaziatische
aspiraties, een renaissance van het boeddhisme na, niet alleen
voor Japan, maar ook voor het grootste deel van Azië. De
belangrijkste Japanse sekten zijn de Tendai, Shingon, Nitsjiren
en Zen-sekten. Vooral de Amida- of Amitabha-cultus heeft veel
gelovigen tot zich getrokken (zie Amida-boeddhisme). In de 7de
eeuw werd het boeddhisme met veel succes gepropageerd in Tibet,
waar het, versmolten met de inheemse religie, het lamaïsme
vormde. Het bereikte ook de Indische Archipel, waar de
overblijfselen van vele tempels en monumenten - het
belangrijkste monument is de Borobdur op Java - er nu nog de
sprekende getuigen van zijn.
Wat de
geschiedenis van het boeddhisme in India zelf betreft zijn er
zeer uitvoerige inlichtingen bewaard van Chinese pelgrims, die
India in de loop van het eerste millennium n.C. bezochten:
Fa-hien (399-413), Hiuan-Tsang (Yuan-chwang. Hsuen-tsang,
629-645), Yitsing (I-ching, 671-690). Hieruit blijkt dat reeds
in vele sectoren verval was ingetreden, dat nog toenam door een
nieuwe vorm van boeddhisme, het
Vajrayanaboeddhisme
(het 'Diamanten voertuig') geheten, waarin de oorspronkelijke
zuiverheid plaats ging maken voor praktijken die veel gelijkenis
vertonen met het hindoeïstische tantrisme
en ten slotte voor de leer en de praktijken van het sjaktisme
(reeds in de 8ste eeuw). De kiem van al deze afwijkingen lag in
het Mahayana-boeddhisme zelf, dat, ofschoon het beweert langs
een soort van apostolische overlevering aan te sluiten bij de
prediking van de oorspronkelijke leer van Boeddha, zeer
heterogene en aan het oorspronkelijke boeddhisme vreemde
elementen bevat.
Het boeddhisme,
dat in zijn ideale vorm eigenlijk slechts voor een kleine elite
bestemd is, is in India nooit de enige of de overheersende
verlossingsleer geweest. Het streefde ook niet naar die positie
en liet zijn leke-aanhangers vrij volksgeloof te huldigen en aan
brahmanistisch-hindoeïstische riten deel te nemen. Wanneer
vorstengunst ontbrak, bleek nog duidelijker dat het niet het
gehele terrein van het leven van de leke-aanhangers bestreek.
Door zijn vele scholen en grote tolerantie vormde het geen
eenheid. De opname van vele hindoeïstische elementen in het
Mahayana leidde tot uitholling en vervaging. Het langst hield
het stand in Bihar en Bengalen, onder de boeddhistische
Paladynastie. De invallen van de islamieten, die in 1193 Bihar
bezetten en vele boeddhistische kloosters verwoestten,
betekenden de genadeslag. In Orissa leeft het op bescheiden
schaal voort. Alle Indiase boeddhisten tezamen (inclusief vanuit
Sri Lanka geïmmigreerden, ook bekeerden) maken nauwelijks het
half miljoen vol.
MODERNE
ONTWIKKELING
De kolonisatie van boeddhistische landen en de contacten met het
Westen hebben binnen het boeddhisme ingrijpende veranderingen
teweeggebracht. In de strijd voor onafhankelijkheid werd het
boeddhisme, het culturele erfgoed, verbonden met het
nationalisme dat veelal door marxistische en socialistische
stromingen beïnvloed was. Dit had tot gevolg dat van het
boeddhisme een duidelijk antwoord werd verwacht op vragen van
sociale, economische en politieke aard. Hierdoor ontstond er in
de boeddhistische wereld een herbezinning op de leer tegelijk
met pogingen deze aan te passen.
De belangstelling
van het Westen voor het boeddhisme, ontstaan vanuit
missionering, politieke expansiedrang en wetenschap, hielp mee
bij de bewustwording van de boeddhistische landen. Men kwam tot
het oprichten van internationale boeddhistische organisaties,
waarvan de belangrijkste zijn: de Maha Bodhi Society, opgericht
in 1891, de Young Men's Buddhist Association, opgericht in 1898,
en de World Fellowship of Buddhists (1950). Deze organisaties
hebben tot doel: de eenheid in de boeddhistische wereld, een
gezamenlijke boeddhistische stellingname, oprichten van
boeddhistische studiecentra en universiteiten, onderling begrip,
het zuiver bewaren van de boeddhistische leer en heilige
plaatsen, het verbreiden van de boodschap van de Boeddha, die
vrede en welvaart zal brengen in de wereld.
In de geschiedenis
van
Sri Lanka en
Birma liggen de
aanzetten tot de vernieuwingsbeweging. Hier is de theorie van
het boeddhistische socialisme ontstaan, die politiek werd
toegepast door U Nu in Birma en Sirimavo Bandaranaike
in Sri Lanka. Zij wilden het boeddhisme als staatsgodsdienst en
als ideologie van een socialistische staat. In beide landen is
dit experiment mislukt, vnl. door te grote druk van de monniken
en door conflicten met niet-boeddhistische minderheidsgroepen.
In
Thailand
verliep de overgang naar de moderne tijd met minder geweld. Ook
hier ontstonden hervormingsbewegingen, zowel voor de leer als
voor de monnikenorde. Men poogt het boeddhisme minder als
staatsideologie te gaan beschouwen en vooral de invloed van de
monniken, via het onderwijs, te verminderen om zo een scheiding
van staat en religie te bewerkstelligen. Nationale minderheden
wil men zo veel mogelijk assimileren, mede door bekering tot het
boeddhisme.
Ook in
Vietnam
ontstonden (reeds rond 1930) hervormingsbewegingen, vele
eveneens met een duidelijk politieke stellingname. Hoewel
uiteengevallen in kleinere groepen hebben de boeddhisten zich
zowel tegen de Franse overheersing als tegen de dictatuur van
Ngo Dinh Diem
met succes kunnen organiseren. De Vietnamese boeddhisten, die de
laatste tijd meer steun krijgen van hun Singhalese
geloofsgenoten, proberen naast zuivering en heroriëntering van
de leer - een ontwikkeling die tevens heeft geleid tot het
ontstaan van twee nieuwe syncretistische religies, de Cao Dai en
de Hoa Hao - een sociale en politieke centrumpositie in te nemen
in Vietnam.
Voor de Chinese
inval in
Tibet vluchtte
in 1959 de Tibetaanse geestelijke en wereldlijke leider, de
dalai lama, naar India. Met hem vluchtten nog ongeveer 80g000
Tibetanen, van wie het merendeel in India en de Himalaja-staten
terechtkwam, en een kleinere groep (ca. 1000) in Europa
(Zwitserland) en de Verenigde Staten. Zij doen veel moeite hun
culturele en religieuze erfgoed te bewaren te midden van de
sterk veranderde levensomstandigheden en ontvangen buitenlandse
hulp bij het opzetten van ontwikkelingsprojecten en
studiecentra. De dalai lama
is sedert zijn vertrek uit Tibet sterk in de westerse publieke
belangstelling komen te staan, o.a. door zijn vele reizen in
westerse landen. De belangstelling voor het Tibetaanse
boeddhisme in Europa en Noord-Amerika nam als gevolg daarvan
sterk toe. Vooraanstaande Tibetaanse monniken kregen ook in het
Westen volgelingen.
De literatuur van
het boeddhisme
is ondanks grote verliezen, o.a. door de ondergang van het
boeddhisme in India, van enorme omvang. Zij valt uiteen in
canonieke geschriften, die volgens de traditie de prediking en
leer van Boeddha bevatten, en commentaren daarop, exegetische
werken, oorspronkelijke, godsdienstige, historische en
propagandistische geschriften, verhandelingen over ritueel,
meditatie, iconografie, kloosters en heilige plaatsen. Zij is
(en was) geschreven in Pali, Sanskriet, Chinees, Tibetaans,
Japans en andere talen: veel werd vanuit de Indische talen
vertaald.
Boeddha
(= de verlichte), naam waaronder de stichter van het boeddhisme,
Siddhartha Gautama
(Pali: Siddhatta
Gotama)
(ca. 560 - ca. 480 v.C.), het meest bekend is geworden. Hij
stamde uit het adellijk geslacht van de Sakya's en noemde
zichzelf later veelal
Sakyamuni (Sjakjamoeni):
de wijze uit het geslacht Sakya. Omdat Boeddha zelf geen
geschriften heeft nagelaten, moet men voor zijn biografie een
beroep doen op de Sanskriet-teksten van het Mahayana (vooral de
Lalitavistara
uit de 2de eeuw n.C.) en in mindere mate op de Pali-teksten van
het Hinayana (zie boeddhisme). De historische feiten zijn echter
zeer door legenden overwoekerd. Het leven van Gautama is het
type van het boeddhaleven; bij iedere boeddha verloopt het
volgens boeddhistische opvattingen vrijwel gelijk. Gautama's
vader, Sjuddhodhana, was vorst van Kapilavastu in Magadha (Noordoost-Indië),
zijn moeder, Maya, stierf volgens de overlevering zeven dagen na
Siddhartha's geboorte. Hij kwam ter wereld in het woud Lumbini.
Bij zijn geboorte droeg hij de 32 gunstige kentekenen
(mahavyanjana)
van een groot man. Op hetzelfde ogenblik werd ook zijn latere
vrouw geboren. Van zijn jeugd is weinig bekend; slechts
verdichtselen zijn overgeleverd. Zo zou hij op school zelfs zijn
leermeesters in wijsheid overtroffen hebben. Hij huwde met
Yasjodhara en had een zoon, die Rahula werd genoemd. Hij leidde
tot zijn 29ste jaar een gelukkig leven aan het hof.
Boeddhistisch klooster in Mongolië

Dit klooster in
Oelan Bator, de hoofdstad van Mongolië was lange tijd het enige
nog in gebruik zijnde lamïstische klooster in het land. De
Lamïstische vorm van boeddhisme was tot 1929 de traditionele
godsdienst van het land. Toen begonnen de communistische
machthebbers de uitoefening van godsdienst aan banden te leggen.
Sedert 1990 bestaat er weer vrijheid van godsdienst en zijn er
weer kloosters geopend.
George Holton/Photo Researchers, Inc.
Bron:
Encyclopedie 2001
- Winkler Prins. © 1993-2000 Het Spectrum, Utrecht. Alle rechten
voorbehouden.
