|



St. Pieter
St.-Pietersplein
Het St.-Pietersplein
werd
ontworpen
in de
17de
eeuw als
toegang
tot
Vaticaanstad.
Naast de
pauselijke
paleizen
en de
St.-Pietersbasiliek
zal
vooral
de
Egyptische
obelisk
je
opvallen.
Door het
architecturale
geweld
van de
ontelbare
zuilen
zal je
de
fonteinen
niet
zien.
Toch
zijn ze
14 meter
hoog.
Als je
met je
gezicht
naar de
basiliek
staat,
dan zijn
rechts
de
woonvertrekken
en het
balkon
van de
paus
gelegen.

St.
Pieters
Baseliek
Reuzegroot,
maar dat
merk je
niet.
Niet
minder
dan 120
jaar
hebben
ze
gebouwd
aan deze
kerk, in
1626
werd ze
officieel
in
gebruik
genomen.
Een
aantal
zaken
zullen
je zeker
opvallen
en moet
je van
dichtbij
bekijken.
In het
midden
staat
een
bronzen
beeld
van
Petrus,
waarvan
niemand
weet hoe
oud het
is. Zijn
voet
wordt
door de
pelgrims
gekust
of
aangeraakt.
Op deze
plaats
staat
ook het
hoofdaltaar,
de
plaats
waar de
Heilige
Petrus
zou
begraven
zijn.
Daarboven
is een
baldakijn
van 20
meter
hoog.
Ter
hoogte
van het
beeld
van
Petrus
kan je
ook
afdalen
naar de
fundamenten
van de
eerste
kerk,
daar zie
je veel
pauselijke
graven.
Zoek
ergens
houvast
en kijk
naar
boven,
de
machtige
koepel
van de
St.-Pietersbasiliek
is 130
meter
hoog en
ontworpen
door
Michelangelo.
Op het
einde
van de
kerk heb
je de
Heilige
Stoel
van
Petrus.
Bij je
terugkeer
naar de
uitgang
zal je
aan de
Porta
Santa,
het
bekende
marmeren
beeld
zien van
Michelangelo,
de
Piëta.
Uitzicht
vanaf de
koepel:
Vanaf de
koepel
heeft
men een
schitterend
uitzicht
over
Vaticaanstad
en Rome.
Het is
een hele
klim,
maar
zeker de
moeite
waard.
Geschiedenis
Constantijn
de Grote
liet de
eerste
Vaticaanse
basiliek
bouwen
op de
plaats
waar
volgens
de
overlevering
het graf
van
Petrus
moest
liggen.
De bouw
van de
basiliek
(met een
middenschip
en vier
zijbeuken)
begon in
324 en
werd in
349
voltooid.
Voor
deze
kerk
stond
een
quadriporticus,
waarvan
het
interieur
met
waardevolle
mozaïeken,
fresco’s
en
belangrijke
monumenten
was
verfraaid.

Omstreeks
het
begin
van de
15 de
eeuw
bevond
dit
gebouw
zich in
een
ontstellend
bouwvallige
toestand.
Paus
Nicolaas
V
(1447-1455)
gaf
Bernardo
Rossellino
opdracht
tot
nieuwbouw
(1542).
Na zijn
dood
werd dit
plan
begraven,
zodat de
uitvoering
van het
ontwerp
van
Rossellino
beperkt
bleef
tot de
‘Wachttoren
van
Nicolaas
V’, de
noordelijke
vleugel
van het
complex
en de ‘Papagaaienhof’,
alsmede
de
noodzakelijkste
restauraties
van
delen
van het
Apostelgraf.

Pas
onder
paus
Julius
II begon
de
eigenlijke
nieuwbouw
van de
St.
Pieterskerk
: hij
droeg
Donato
Bramante
op het
project
voor te
bereiden,
zoals
dank zij
een
tekening
van
Antonio
da
Sangallo
en een
medaillon
van
Caradosso
bekend
is
geworden.
Het
ontwerp
kwam
tegemoet
aan het
klassieke
ideaal
der
symmetrie
: een
centraalbouw
met een
koepel
in het
midden
en vier
kleinere
koepels
op de
delen
van de
plattegrond
in de
vorm van
een
Grieks
kruis.
Bramante
moest
daarbij
de oude,
constantijnse
volledig
afbreken.
Hij
kreeg
nogal
vlug de
bijnaam
"il
maestro
rovinante".
De
megalomane
paus
Julius
II had
Michelangelo
van
Firenze
geroepen
om zijn
grafmonument
te
maken.
Michelangelo
had zelf
liever
de
bouwopdracht
gekregen.
Hij was
enorm
jaloers
op
Bramante.
Het
grafmonument
van
Julius
II zal
nooit
voltooid
worden.
Het
enige
echt
afgewerkte
beeld is
de
Mozes,
te
bewonderen
in de S.
Pietro
in
vincoli
te Rome.
Op 17
april
1506
daalde
Julius
II met
een
gevolg
van
kardinalen
en
andere
prelaten
af naar
de
uitgegraven
fundamenten
van de
steunpilaar
Veronica
om de
eerste
steen
uit te
leggen.
Hij
wilde de
restitutio
van het
bouwwerk
in het
Vaticaan
bezegelen
met een
plechtige
liturgieviering,
zoals in
de bul
te lezen
staat :
“vetustate
et situ
squalentem".
Ooggetuige
De Conti
beweert
dat het
ontwerp
met zijn
schoonheid
en
volmaakte
proporties
ieder
monument
uit de
Oudheid
begint
te
overstralen.
Boven de
basiliek
zal zich
een
grotere
en
hogere
koepel
dan die
van het
Pantheon
verheffen.
Pas
kortgeleden
kon
worden
achterhaald
dat
Bramante
de vier
steunpilaren
heeft
opgericht
om het
immense
gewicht
van de
koepel
te
ondersteunen.
Hij
bepaalde
het lot
van het
gigantische
bouwwerk
definitief
door de
grote
steunbogen
tussen
de vier
grote
pilaren
met
elkaar
te
verbinden
en
daardoor
de
buitenmuren
te
verwoesten.
Na de
dood van
Bramante
in 1514
ontstaat
er een
‘triumviraat’
van
bouwmeesters,
Guiliano
da
Sangallo,
fra
Giocondo
da
Verona
en
Raffaello,
die de
leiding
kreeg,
dat een
nieuw
bouwplan
ontwerpt,
te
herkennen
in het
ontwerp
dat is
afgebeeld
in de
fresco’s
van de
Chiaroscuri-zaal
in het
Vaticaans
Museum.
Het
nieuwe
project
veranderde
het
ontwerp
van
Bramante
ingrijpend,
want het
hoofdschip
werd
erdoor
verlengd.
We
kregen
dus een
Latijns
kruis.
In 1520
kwam
Raffaello
echter
te
overlijden
(zijn
beide
collega’s
waren al
eerder
gestorven).
Zijn
opvolgers
Antonio
de
Sangallo
en
Baldassare
Peruzzi
lieten
het
reeds
gebouwde
deel
weer
grotendeels
afbreken.
Na
Peruzzi’s
dood
(welk
aandeel
hij
heeft
geleverd,
is
moeilijk
te
bepalen)
nam
Antonio
da
Sangallo
(1538)
de
leiding
over.
Pas na
ingrijpen
van
Paulus
III
vervaardigde
hij een
houten
maquette,
thans in
het
Octagoon
van de
H.
Gregorius.
Eind
1539
werd
begonnen
aan de
fundamenten
van de
apsis,
waarbij
de
resten
van de
oude
basiliek
vanaf de
dwarsbeuk
werden
gesloopt.
De
‘oude’
en de
‘nieuwe’
St.
Pieter
werden
door een
muur
tussen
de elfde
en
twaalfde
pilaar
in het
hoofdschip
van
elkaar
gescheiden.
In 1981
is deze
muur
opgegraven.
Na lang
aarzelen
nam
Michelangelo
de
leiding
van het
werk op
zich :
‘nullo
premio,
nullave
mercede’,
staat in
de
opdracht
van
Paulus
III te
lezen.
Michelangelo,
die bij
andere
opdrachten
een
hebzuchtige
kunstenaar
was
gebleken,
zal het
werk
voltooien,
zonder
vergoeding,
voor
zijn
zieleheil.
Michelangelo
eiste
carte
blanche
waar het
de
zeggenschap
over
alles en
iedereen
betrof.
Hij
greep
terug op
het
ontwerp
van
Bramante
en
verstrakte,
zo licht
zijn
biograaf
Vasari
trefzeker
toe, de
vormgeving
van de
St.
Pieter,
waardoor
het
gehele
bouwwerk
werd
verhoogd.
Hij liet
alles
wat
Sangallo
had
gebouwd
ontmantelen,
zowel de
immense
buitenmuren
als de
versterking
van de
vier
grote
pijlers.
De
toestemming
van
Paulus
III
bleek
van
doorslaggevend
belang
te zijn
voor de
voornemens
van
Michelangelo,
want de
medewerkers
namen
tegenover
de
meester
een
vijandige
houding
aan. Zij
vreesden
namelijk
- en
niet
zonder
reden -
een
schandaal
vanwege
de
enorme
verspilling
van
kapitaal
die al
deze
bouw- en
sloopactiviteiten
met zich
meebrachten.
Paulus
III nam
Michelangelo
in
bescherming
en
stelde
zich in
een door
hemzelf
ondertekend
document
vierkant
achter
Michelangelo
op. Nu
kon de
kunstenaar
zijn
plannen
ondanks
alle
door hem
nodig
geachte
ontmantelingen
doorvoeren.
Op 11
oktober
1549
werd hij
definitief
tot
leidend
bouwmeester
benoemd.
Na zijn
dood
(1564)
moest
het
heerszuchtige
karakter
van
Sixtus V
eraan te
pas
komen om
de
oplossing
voor de
koepwelving
te
geven.
Dit werk
was door
Pirro
Ligorio,
Jacopo
Barozzi
en
Giacomo
Della
Porta
tot in
het
oneindige
op de
lange
baan
geschoven.
Tijdens
een
bespreking
op 21
januari
1587
viel
echter
het
besluit
dat de
koepel,
te
beginnen
bij de
door
Michelangelo
onvoltooid
achtergelaten
tamboer,
af te
bouwen.
Zeshonderd
werklieden
werkten
dag en
nacht
door aan
de
koepel,
die in
juni
1593 als
voltooid
kon
worden
beschouwd.
Torrigiani
en
Faccalume
lieten
op de
lantaarn
hun
bronzen
kogels
plaatsen.
Geschiedenis:
Barok
Voor het
totaalaanzicht
van de
basiliek
is de
door
Paulus V
aan
Carlo
Maderno
opgedragen
verlenging
van het
Griekse
tot het
Latijnse
kruis
fataal
geworden,
naast de
verhoging
(4,14m
extra)
van de
koepelwelving
ten
opzichte
van
Michelangelo’s
model.
De
gevolgen
bleken
zowel op
het
statische
als
esthetische
vlak
ernstig
te zijn,
omdat
het
gewicht
daardoor
niet op
de vier
steunpijlers,
maar op
de
tamboer
kwam te
rusten.
De 16
gewelfribben
hadden
nog
slechts
een
esthetische
functie,
maar
torsten
niet hun
deel van
het
totale
gewicht,
hetgeen
tot aan
het jaar
1931
schade
heeft
veroorzaakt
die
telkens
werd
gerepareerd.
Onder
paus
Paulus
de V
werd om
twee
redenen
weer
teruggegrepen
op het
langere
Latijnse
Kruis :
de paus
wilde
meer
ruimte
creëren
voor de
gelovigen
en ook
moest de
plaats
waar de
basiliek
van
Constantijn
de Grote
had
gestaan
volledig
worden
volgebouwd.
Carlo
Maderno
voltooide
de kerk,
creëerde
het
middenschip
met de
drie
kapellen
aan
weerszijden,
alsmede
de
huidige
gevel.
In 1629
benoemde
Urbanus
VIII
Bernini
tot
hoofdarchitect.
Hij
voerde
de
decoratie
van het
interieur
uit en
creëerde
het
plein
voor de
Pieterskerk
(1656-1667)
: 240 m
brede
ellips
omgeven
door een
colonnade
van
pilaren.
De
huidige
basiliek

Vóór de
vernieuwing
van het
stratenplan
door
Borghi
(1931)
was het
St.
Pietersplein
alleen
via een
wirwar
van
vochtige,
donkere
stegen
te
bereiken,
die
allemaal
uitkwamen
op het
tamelijk
kleine
Rusticucci-plein.
Na deze
vernieuwing
toonde
het
bouwkundige
wonder
van
Bramante,
Michelangelo
en
Bernini
zich
plotseling
in zijn
volle
luister
aan het
verbaasde
publiek.
Een
brede
trap
leidt
naar het
grote
bouwwerk
(114 x
45m) dat
Maderno
in het
jaar
1614
voltooide.
Aan
weerszijden
van de
trap
werden
de
standbeelden
van
Petrus
en
Paulus
opgesteld
(1847),
de
apostel
met de
sleutels
en de
apostel
met het
zwaard.
Het
eerste
is een
schepping
van
Giuseppe
De Fabri,
het
tweede
werd
door
Adamo
Tadolini
gecreëerd.

Kunstwerken
in de
porticus
Via de
trap
bereiken
we de
porticus
(71 x
13,50 x
20m),
die door
Maderno
werd
gebouwd.
Links
staat
het
ruiterbeeld
van
Karel de
Grote,
die in
de
kerstnacht
van het
jaar 800
door
paus Leo
III tot
keizer
werd
gekroond.

Rechts
het
ruiterbeeld
van
Constantijn
de
Grote,
stichter
van de
oude
basiliek,
de
keizer
die met
zijn
beroemde
edict
van
Milaan
(313)
als
eerste
de
christenen
geloofsvrijheid
schonk.
Hij
wordt
tevens
als
grondlegger
van de
sacrale
christelijke
bouwkunst
beschouwd.
Hij
bevorderde
de bouw
van
verschillende
kerken,
waartoe
ook de
eerste
St.
Pieterskerk
behoorde.
Dit
ruiterbeeld
wordt
door de
bijna
impressionistische
zeggingskracht
ervan
tot de
meesterwerken
van
Bernini’s
beeldhouwkunst
gerekend.
Bernini
beeldde
hem uit
op een
nerveuze
volbloed,
voor een
gordijn
dat met
gouddraad
doorweven
damast
voorstelt
en in
weelderige
plooien
afhangt.
Hoewel
hij dit
werk pas
op hoge
leeftijd
schiep,
geven de
indringende,
bijzondere
kenmerken
van
Bernini’s
kunstenaarschap
- het
zoeken
naar
beweging,
de
expressieve
compositie,
de
verfijnde
kleurnuances
- deze
schepping
een
bijzonder
levendig
karakter.
Vijf
portalen
geven
vanuit
de
Portiek
toegang
tot de
basiliek.
De
portaal
van het
hoofdschip
heeft de
bronzen
deurvleugels
van de
oude
basiliek
behouden.

Het
portaal
van
Filarete,
tegenover
het
mozaïek
van de
Navicella
(van
Giotto),
is een
andere
herinnering
aan de
oude
basiliek.
De
bronzen
vleugeldeuren
zijn
onderverdeeld
in zes
taferelen,
van
elkaar
gescheiden
door
rechte
banden.
Ze
beelden
episoden
uit het
pontificaat
van
Eugenius
II
(824-827)
uit en
zijn
gevat in
een
brede
rankenlijst.
In
andere
taferelen
zijn de
Maagd
Maria en
Christus
op de
Rechterstoel
te
herkennen,
alsmede
scènes
uit het
leven
van de
apostelen
Petrus
en
Paulus.
Een
bekend
tafereel
is dat
van de
Kruisiging
van
Sint-Petrus.
Boven de
deur een
reliëf
van
Bernini
of een
van
diens
leerlingen
: Jezus
die de
gelovigen
aan
Petrus
toevertrouwt.
Hij
ontwierp
ook de
grote
allegorische
stuccofiguren
in de
booghoeken,
alsmede
de
marmeren
bekleding
van de
binnenzijde
der
steunberen,
met
medaillons
van
heiligen
en
pausen,
steeds
omlijst
door
twee
engelfiguurtjes
en
duiven
met een
olijftak.
Hij
creëerde
ook de
nissen
tussen
de
lisenen
in het
hoofdschip
en in de
armen
van de
dwarsbeuk.
In deze
nissen
zijn
beelden
van
ordestichters
opgesteld,
beelden
die in
de 18de
en 19de
eeuw
door
verschillende
kunstenaars
zijn
opgemaakt.
Links
naast
dit
portaal
zien we
het
Dodenportaal
van
Giacomo
Manzù ;
de naam
is
afgeleid
van de
erop
afgebeelde
scènes
over het
sterven
van de
mens.
Interieur
Het
hoofdschip
van de
St.
Pietersbasiliek
is 46m
lang en
27m
breed en
werd
door
Carlo
Maderno
gebouwd
naar het
kerkmodel
van de
Contrareformatie.
Hij
voegde 2
traveeën
toe.
Boven de
immense
pilaren
bevindt
zich
slechts
één
opbouw,
met
Korintische
lisenen
;
eronder
bevinden
zich de
bogen
die
toegang
geven
tot de
zijbeuken
en de
verschillende
kapellen
(drie
aan
weerszijden).
Boven de
steunberen
ligt een
balkvormige
structuur
waarop
zich het
cassettengewelf
met zijn
weelderige
decoratie
(uit het
eind van
de 18de
eeuw)
verheft.
Aan het
einde
van het
schip de
vier
steunpijlers
van de
koepel.
De
decoratie
van het
kerkinterieur
alsmede
het
ontwerp
van het
marmerinlegwerk
in de
vloer is
van de
hand van
Bernini.

De
koepel
vormde
de
eigenlijke
twistappel
in de
bouwprocedure
van de
kerk.
Het
bouwplan
van
Bramante
was
gebaseerd
op een
centrische
opbouw
die
weliswaar
groter
was,
maar in
verhouding
stond
tot de
koepels
boven de
zijbeuken,
maar
Michelangelo
verstopte
de
resten
van de
kleinere
bouwelementen
in de
buitenmuur
en
voorkwam
daardoor
dat de
bestaande
symmetrie
van het
inwendige
reeds
aan de
buitenzijde
zichtbaar
was.
Hiermee
verleende
hij aan
de
koepel
een
absolute
waarde
als een
element
‘uit een
onafhankelijke,
geïsoleerd
staande
muurmassa’
die heel
de rest
van het
bouwwerk
domineert.

De vier
steunpijlers
voor de
koepel.
Ook het
bouwplan
van
Bramante
voorzag
al in
deze
steunpijlers,
maar ze
werden
pas door
Michelangelo
gebouwd
en later
door
Bernini
kundig
verfraaid.
Bernini
liet aan
de basis
grote
nissen
uithakken
waarin
thans
enorme
beelden
(5m
hoog)
staan
opgesteld.
Het
voorbeeld
van de
decoratie
van de
oude
basiliek
alsmede
het
verlangen
om
basilieken
te
verfraaien
met
onvergankelijke
kunst,
leidde
tot het
besluit
ook de
schilderwerken
uit te
voeren
in
mozaïek,
omdat de
kleuren
ervan
hun
helderheid
en glans
behouden.
In de
St.
Pieterskerk
is het
mozaïek
daardoor
een van
de
karakteristieke
decoratie-elementen.
De vier
evangelisten,
met hun
symbolen,
in de
booghoeken
onder de
koepel.
In het
midden
is
Mattheüs
nog eens
afgebeeld,
namelijk
in de
omlijstende
stucco-decoratie.
Boven
deze
afbeeldingen
ligt een
immense
balkvormige
structuur,
afgewerkt
met een
fries.
Hierop
staan de
woorden
te lezen
die
Christus
sprak
toen hij
Zijn
Kerk
stichtte
: ‘Ik
zeg u
dat gij
Petrus
zijt, en
op deze
steen
zal Ik
Mijn
gemeente
bouwen.
Ik zal u
de
sleutels
geven
van het
Koninkrijk
der
hemelen,
en wat
gij op
aarde
zult
binden,
zal
gebonden
zijn in
de
hemelen’.

In
de
nissen
van
de
steupijlers:
de
H.
Longinus
(van
Bernini
;
1630-1639)
(foto)
de
H.
Helena
(van
Andrea
Bolgi
;
1630-1639)
(foto)
de
H.
Andreas
(van
François
Duquesnoy
;
1629-1640)
de
H.
Veronica
(van
Francesco
Mochi
1629-1632)
]

Boven de
nissen
bracht
Bernini
vier
balkons
aan
waarin
de
voornaamste
relikwieën
van de
kerk
worden
getoond.
De
balkons
zijn
verfraaid
met acht
pilaren
die nog
uit de
oude
basiliek
stammen
; hun
vorm
stemt
overeen
met die
van de
Heilige
Pilaar
(de
pilaar
van de
Tempel
van
Salomo
waartegen
Jezus
zou
hebben
geleund)
die in
de
schat-kamer
van de
St.
Pieter
wordt
bewaard
en
tevens
model
stond
voor de
zuilen
van
Bernini’s
Baldakijn.

De H.
Stoel
van
Petrus (cathedra)
in het
midden
van de
absis.
Dit
grootse
werk,
een
triomf
van de
barokke
fantasie,
werd
tussen
1656 en
1665
tijdens
het
pontificaat
van
Alexander
VII
geschapen
en
bestaat
uit een
kostbare
marmeren
sokkel
waarop
vier
bronzen
(vergulde)
figuren
de zetel
van de
apostel
dragen.
De twee
figuren
voor de
Stoel
stellen
de
kerkvaders
van
Latijnse
kerk,
Ambrosius
en
Augustinus
(detail)
voor. De
twee
figuren
achter
de Stoel
zijn de
kerkvaders
van de
Griekse
Kerk,
Athanasius
en
Johannes
Christostomos.
Vroeger
werd
gedacht
dat de
echte
stoel
van
Petrus
in
Bernini’s
schepping
was
opgenomen,
maar het
blijkt
een
meubelstuk
met
ivoorinlegwerk
uit het
vroege
keizerrijk
te zijn,
vermoedelijk
de
curiezetel
van een
Romeinse
senator.
De H.
Stoel
wordt
geflankeerd
door
twee
engelen
en boven
dragen
twee
cherubijnen
de
Sleutels
en de
Tiara.
Boven de
Stoel
het
gouden
Aureool
met
stralen
en
engelen
in
dichte
wolken.
Dit
alles
vormt
een
corona
rondom
een
symbolische
uitbeelding
van de
H. Geest
in het
hart van
het
stralende
Licht.
Het
baldakijn
dient
ook als
doorkijk
en
omkadering
voor de
dieper
gelegen
cattedra
, de
bisschopszetel
van
Petrus,
door
Bernini
opgevat
als een
stralend
eindpunt
van de
basiliek.
De
cathedra
Petri
heeft
als
toneel
het
westeinde
van de
St.
Pieter,
die in
tegenstelling
tot de
meeste
kerken
naar het
westen
is
gericht.
Dit werk
is niet
omlijst
en het
houdt
zich
niet aan
de grens
van de
twee
grote
pilasters
die tot
Michelangelo's
architectuur
behoren.
Bernini
combineert
niet
alleen
de
verschillende
takken
van
kunst,
hij
maakt
ook
gebruik
van de
natuur.
In beide
gevallen
wordt
het
licht,
gefilterd
door
geel
glas met
als
illusionistisch
verlengstuk
vergulde
metalen
stralen,
tot
onderdeel
van het
kunstwerk.
(Hetzelfde
treffen
we aan
in de H.
Teresa
van
Avila)
In de
cathedra
Petri
stroomt
het
licht
binnen
door het
middenvenster
dat de
beeltenis
van de
Heilige
Geest
draagt
en het
brandpunt
van het
ontwerp
is.
Rondom
dit raam
zweven
engelen
van
verguld
stucwerk
op
wolken
en
daaronder
de
prachtige
troon
die de
reliek
bevat -
de oude
houten
stoel
die
Petrus
zou
hebben
gebruikt-
waaraan
de
cathedra
haar
naam
ontleent.
De
geniale
vondst
van
Bernini
lag erin
niet de
oorspronkelijke
relikwie
te
gebruiken,
maar de
stoel te
omlijsten
met een
veel
grotere
zetel
van
verguld
brons.

Geheel
onderaan
vindt
men de
vier
kolossale
bronzen
figuren
van de
kerkvaders.
De
indruk
die dit
verbijsterende
werk
maakt
wanneer
men het
ziet in
de
omlijsting
van de
reusachtige
zuilen
van het
baldakijn
als de
ondergaande
zon
achter
het
venster
schuilt,
is een
van de
hoogste
triomfen
van de
barok.

Het
baldakijn
van
Bernini.
Hieraan
begon de
kunstenaar
in
opdracht
van paus
Urbanus
VIII
Barberini
in 1624,
en hij
voltooide
het werk
in 1633.
De bijen
verwijzen
naar
diens
familiewapen
en ze
vormen
een
decoratief
verstrooid
motief.
In de 16
e eeuw
was de
koepel
van
Michelangelo
het
natuurlijke
centrum
van de
basiliek.
Door de
uitbreiding
naar het
basilicale
type (Maderno)
kan de
koepel
door de
binnenkomende
gelovige
niet
meer
gezien
worden.
Men
wilde
dus met
een
nieuw
kunstwerk
de
aandacht
trekken
op de
tombe
van
Petrus
en het
pauselijk
altaar.
Vier
gedraaide
zuilen,
men
wijnranken
omkranst,
dragen
een
soort
open
koepel.
Op de
vier
hoeken
jubelen
engelen
naar de
vier
windstreken
de
universaliteit
uit van
de
katholieke
leer.
(triomfalisme
van de
barok)
De
gedraaide
zuilen
zijn
geïnspireerd
op
laatromeinse
voorbeelden,
afkomstig
van de
oude
Constantijnse
basiliek.
Het
baldakijn
staat
boven
het graf
van
Sint-Pieter,
de
eerste
paus, en
wijst
met zijn
spiraalvormige
zuilen
in de
hoogte,
naar de
koepel
van
Michelangelo,
die als
het
symbool
van de
hemel
kan
begrepen
worden.
De
symboliek
is
duidelijk.
Het
baldakijn
is 29
hoog,
maar het
heeft
niet die
overweldigende
indruk,
omdat
het
aangepast
is aan
de
buitenmenselijke
verhoudingen
van de
basiliek.
Met zijn
donkere
tint en
zijn
roterende
vormen
brengt
het
baldakijn
een
draaibeweging
die
opstijgt
naar de
koepel.
Het
brons
voor het
baldakijn
haalde
Bernini
uit het
antieke
Pantheon.
Die
vernieling
liet de
Romeinen
zeggen:
“Quod
non
barbari,
fecerunt
Barberini”,
een
zinspeling
op de
familienaam
van paus
Urbanus
8, de
opdrachtgever.

Michelangelo
was pas
25jaar
oud toen
hij in
1499 de
Pietà
schiep.
Het is
het
enige
werk van
de grote
kunstenaar
uit
Florence
waarop
hij zijn
naam
aanbracht.
De
beroemde
sculptuur
was
oorspronkelijk
voor de
S.
Petronellakerk
in Rome
bestemd
en moest
vermoedelijk
het graf
van de
opdrachtgever,
de
kardinaal
Jean de
Bilhères,
gezant
van de
Franse
vorst
Karel
VIII aan
het
pauselijke
hof,
tooien.
Het werd
overgebracht
naar de
basiliek
en
verhuisde
daar
diverse
keren
voordat
het
definitief
in de
eerste
kapel
van de
rechterzijbeuk
werd
opgesteld.

Het
bronzen
Petrusbeeld
in het
achterste
deel van
het
hoofdschip,
naast de
eerste
steunpijler.
Men nam
aan dat
dit een
sculptuur
uit de
5de eeuw
was,
maar het
beeld
werd pas
in de
13de
eeuw
gegoten,
vermoedelijk
door
Arnolfo
di
Cambio.

De grote
marmeren
sculptuur
De H.
Leo
ontmoet
Attila
(1646-1650)
van
Alessandro
Algardi.
Hier
beeldt
de
kunstenaar
de
episode
uit
waarin
de paus
de vorst
der
Hunnen
het idee
uit het
hoofd
praatte
om Rome
te
onderwerpen.
Het
altaar
staat
links
van het
priesterkoor
achter
de
tweede
steunpijler.
Attila
kijkt
verschrikt
naar op
naar de
apostelen
Petrus
en
Paulus.
Hij
staat
als het
ware
klaar om
het
kunstwerk
te
verlaten
en in
onze
ruimte
te
stappen.
Een mooi
voorbeeld
van het
illusionisme
van de
barok.

Monument
van
Gregorius
XIII,
geschapen
door
Camillo
Rusconi
(18de
eeuw),
naar het
voorbeeld
van
Algardi’s
Monument
voor Leo
XI. De
paus zit
zegenend
tussen
Religie
en
Fortuna,
het
reliëf
op de
sarcofaag
behandelt
de
hervorming
van de
Juliaanse
kalender
; de
draak op
de
sokkel
komt van
het
familiewapen
van de
Buancampagni’s
waartoe
Gregorius
XIII
behoorde.
Het
monument
staat in
de derde
boogpoort
van de
rechter
zijbeuk.
In
nissen
aan
weerszijden
van de
Stoel
bevinden
zich de
op deze
bladzijden
getoonde
grafmonumenten.

Heel
dicht
bij het
portaal
van de
dwarsbeuk
staat
het
Monument
van
Alexander
VII, een
schepping
uit
Bernini’s
‘rijpe’
periode
(1672-1678).
Aan dit
werk
hebben
assistenten
meegewerkt.
De
compositie
en het
gelaat
van de
paus
zijn van
de
kunstenaar
zelf.
Alexander
VII is
biddend
uitgebeeld
en
knielt
tussen
Gerechtigheid,
Vernuft,
Barmhartigheid
en
waarheid
(dit
beeld
was
aanvankelijk
naakt,
maar
werd
door een
geplooid
kleed
van
metaal
bedekt).
Naast de
paus
wijst
het
skelet
van de
Dood
naar de
zandloper
om aan
te geven
dat ook
zijn uur
heeft
geslagen.
De Dood
roept
hem
onder
‘het
eeuwige
kleed’,
een
verrukkelijk
geplooid
gewaad
dat een
deel van
de voet
van het
monument
afdekt.
Het graf
van
Innocentius
XII naar
een
ontwerp
van Fuga
; het
beeld
van de
paus,
tussen
Barmhartigheid
en
gerechtigheid,
is een
schepping
van V.
Valle
(1746).
Ervoor
staat
het
mausoleum
van
gravin
Mathilde
naar een
ontwerp
van
Bernini
; het
Mathilde-beeld
zelf is
van A.
Bolgi.
S.
Speranza
schiep
het
reliëf
met
keizer
Hendrik
IV in
Canossa
(1635).

Het
grafmonument
van
Paulus
III
(1551-1575),
een
schepping
van
Guglielmo
della
Porta,
dat hij
vermoedelijk
naar een
ontwerp
van
Michelangelo
maakte.
De beide
marmeren
sculpturen
aan de
voeten
van de
paus
worden
aan de
meester
toegeschreven.
Het
geheel
vertoont
vele
overeenkomsten
met het
grafmonument
in de
Sagrestia
Nuova te
Firenze
(Michelangelo).
De
figuren
stellen
het
Vernuft
en de
Gerechtigheid
voor en
men
meent de
gelaatstrekken
van zijn
zuster
Julia en
de
moeder
van de
paus te
herkennen
: de
aanvankelijk
naakte
figuur
werd
later
met een
wit
beschilderde
metalen
tuniek
‘gekleed’.
Het graf
van
Gregorius
XVI (een
nuchter
werk in
neoclassicistische
stijl
van
Luigi
Amici,
1854).
De kapel
werd
bekroond
met een
koepel
met
mozaïeken
die de
biografie
van de
H. Maagd
symbolisch
weergeven.
In de
booghoeken
de H.
Gregorius
(de
Grote),
Gregorius
di
Nazianze,
Hieronymus
en
Basilius
de
Grote.
De
koepel
is niet
van
buitenaf
zichtbaar,
omdat de
attica
zich
ervoor
verheft.
De beide
kleine
koepels
die de
‘grote’
koepel
flankeren,
sluiten
niet aan
op de
inwendige
structuren
van de
kapel.

n het
portaal
van de
dwarsbeuk
naar de
linker
zijbeuk
staat
het
Monument
van Leo
XI
(1642-1644),
een
kostelijke
schepping
van
Algardi.
Hij
beeldde
op de
sarcofaag,
de
afzwering
uit van
Hendrik
IV, de
Franse
koning,
af, toen
de
toekomstige
paus nog
kardinaal
en
gezant
van paus
Clemens
VIII in
diens
land
was. Aan
weerszijden
van de
sarcofaag
Vernuft
en
Gerechtigheid
(figuren
van de
assistenten
van
Algardi).
Graf van
Innocentius
XIII
(1498),
een
schepping
van
Pollaiuolo.
De paus
zetelt
op zijn
troon

Monument
van
Clemens
XIII,
een
schepping
van
Antonio
Canova
(18de
eeuw),
in een
nis van
de
rechter
zijbeuk,
achter
de
tweede
steunpijler
van de
koepel.
Het
monument
omlijst
het
portaal
van de
Gedachteniskapel.
De
knielende
pausfiguur
domineert
het
geheel.
Op de
urn
heeft
Canova
de
figuren
Barmhartigheid
en Hoop
uitgebeiteld
; naast
de urn
zette
hij
Religie
en de
Engel
des
doods.
Twee
leeuwen
op de
sokkel
flankeren
de
ingang.

Het
Monument
van
Urbanus
VIII,
een
schepping
van
Bernini
naar een
compositieschema
van
Della
Porta.
Aan
weerszijden
van de
sarcofaag
Barmhartigheid
en
Gerechtigheid
; in de
voluta
van de
urn zit
de Dood,
die de
naam van
de
overledene
inschrijft
(1642-1647)
De
Doopvont,
gemaakt
uit een
oude
sarcofaag,
die nog
uit de
oude
basiliek
stamde
en
volgens
de
overlevering
afkomstig
was van
het graf
van Otto
II. Het
bronzen
deksel
werd
geschapen
naar een
ontwerp
van
Carlo
Fontana
(1725).
Achter
de
Doopvont
is in
een
mozaïek
van
Carlo
Maratta
de ‘Doop
van
Jezus’
uitgebeeld
; ook
dit
origineel
hangt nu
in de
Kerk van
S. Maria
degli
Angeli.
De muren
van de
Doopkapel
zijn
voorts
verfraaid
met
mozaïeken
van
Passeri
en
Andrea
Procaccini.
De
Doopkapel
is zoals
gebruikelijk
de
eerste
kapel in
de
linker
zijbeuk.

In het
portaal
naar de
Doopkapel
staat
een van
de
beroemdste
werken
van
Canova,
het
Monument
van de
Stuarts
: een
hoge
stèle
van wit
marmer
draagt
in het
midden
een
inscriptie
over de
laatste
leden
van het
vorstengeslacht
Stuart,
wier
halve
busten
boven de
inscriptie
zijn te
zien :
Jacobus
III (in
1766 te
Rome
overleden)
en zijn
beide
zoons
Karel
III en
kardinaal
Hendrik
IX,
hertog
van York.
Onderaan
zijn
naast
een deur
- een
onmiskenbare
verwijzing
naar de
doorgang
naar een
ander
leven -
twee
engelfiguren
met
omgekeerde
fakkels
afgebeeld,
als een
symbool
voor het
verloren
leven.
Deze
figuren
zijn
uitzonderlijke
scheppingen
van
Canova,
op grond
van de
volmaakte
contouren,
de
teerheid
van
modellering
en de
gladde
afwerking
van de
vorm,
maar
vooral
door de
welhaast
doorschijnende
oppervlakken,
die
‘geopend
zijn
voor het
licht’,
aldus
Camillo
Semenzato.
Zelfs de
ademhaling
van het
lichaam
komt tot
uitdrukking.
Het
monument
werd in
opdracht
van de
Engelse
regering
gemaakt
en
Canova
voltooide
het in
1819.

Aan het
eind van
de
rechter
zijbeuk
ligt de
Sacramentenkapel,
die
afgesloten
is met
een
smeedijzeren
hek van
Francesco
Borromini
en rijk
is aan
weelderige
stucco-ornamentiek
aan
muren en
plafond.
De
Gregoriuskapel,
zo
genoemd
omdat de
kapel
tijdens
het
pontificaat
van
Gregorius
XIII
werd
gebouwd,
ligt
exact op
het
snijpunt.
Het was
de kapel
van de
St.
Pieter
die als
eerste
werd
voltooid.
Michelangelo
leidde
persoonlijk
het
grootste
deel van
het
werk,
dat in
1583
door
Giacomo
della
Porta
werd
afgemaakt.
Aan de
rugzijde
staat
het met
albast,
amethisten
en
andere
edelstenen
getooide
altaar.
Vier
verrukkelijke
pilaren
omlijsten
een
fresco
uit de
12de
eeuw dat
nog uit
de oude
basiliek
stamt en
de
Madonna
van de
Altijddurende
Hulp
voorstelt.
De
mozaïekkopie
van
Raffaels
‘Hemelopname’
boven
het
altaar
achter
de
eerste
steunpijler
links
(het
oorspronkelijke
schilderij
hangt in
de
pinakotheek
van het
Vaticaan).
Het
gebruik
schilderstukken
te
vervangen
door
mozaïekkopieën
kwam
voort
uit de
wens
naar
meer
monumentaliteit.
Er werd
zelfs in
1727 een
Mozaïekschool
gesticht
mede
doordat
Alessio
Mattioli
het
email-mozaïek
had
uitgevonden.
Nu
beschikte
men over
een
reusachtige
keuze
aan
kleurnuances
en kon
het
schilderij
tamelijk
getrouw
worden
gekopieerd.
Dit
leidde
echter
ook tot
volledige
slaafsheid
aan het
geschilderde
voorbeeld,
waardoor
het
mozaïekwerk
tot een
zuiver
ambachtelijke
bezigheid
degradeerde,
zonder
een
vleugje
van
originaliteit.
Talloze
schilderijen
werden
vervangen
:
vermaarde
werken
van
Domenichino,
zoals
‘De
communie
van de
H.
Hieronymus’
en ‘De
extase
van de
H.
Franciscus
; van
Guido
Reni ‘De
aartsengel
Michael
overwint
Lucifer’
; en van
Guercino
‘De H.
Petronella’.
De
originelen
verhuisden
naar
andere
kerken
in Rome
of de
zalen
van het
Vaticaans
Museum.
Sacristie
De
Sacristie
van de
St.
Pieter
is een
bouwwerk
vol
pracht
en praal
dat in
opdracht
van Pius
IV
tussen
1776 en
1784
door de
architect
Carlo
Marchionni
werd
opgetrokken,
los van
het
kerkgebouw
zelf. Op
deze
plaats
stond
voorheen
een oude
kerk.De
octagonale
(achthoekige)
sacristie
is
slechts
een van
de zalen
in dit
bouwwerk.
De
Tabernakel
van
Donatello
(1432)
met het
vanouds
door het
volk
vereerde
schilderij
van de
‘Madonna
della
febbre’
in het
midden.
De
Sarcofaag
van
Junius
Bassus,
een
Romeinse
edelman
en
perfect
van Rome
die
christen
was
geworden.
De
sarcofaag
werd in
1595 in
de buurt
van de
Confessio
gevonden,
tijdens
de
bouwwerkzaamheden
voor de
nieuwe
St.
Pieter.
Hij
staat nu
in de
Schatkamer
en is
een
verrukkelijke
marmeren
sculptuur
uit de
4de
eeuw.
Het
geheel
is
onderverdeeld
in tien
taferelen
in twee
reliëfreeksen,
met
scènes
uit het
Oude en
Nieuwe
Testament.



Het
grafmonument
van
Sixtus
IV
staat nu
in een
van de
zalen
van de
Schatkamer.
Vroeger
stond
het
eerst in
de
Sacramentenkapel
en later
in de
Vaticaanse
Catacomben.
Het is
een
bronzen
schepping
van
Antonio
del
Pollaiuolo,
die het
voorzag
van zijn
naam en
het
jaartal
1493
(het is
nog uit
de oude
basiliek
afkomstig).
De paus
is
liggend
uitgebeeld
en
omlijst
met
taferelen
waarin
de
kardinale
deugden
zijn
vereeuwigd.
In het
onderste
deel een
epigraaf
en het
wapen
van de
familie
Della
Rovere.
De
zijden
zijn
onderverdeeld
in
acanthusblad-voluten
: in dit
reliëf
zijn
allegorische
figuren
afgebeeld,
zoals
Theologie,
Filosofie,
Muziek,
Astronomie,
Dialectiek,
Retoriek,
Grammatica,
Geometrie
en
Perspectief.
Sixtus
IV was
een
humanistische
paus die
veel van
kunst
hield en
een
groot
mecenas
was. In
de
ruimte
tussen
de
Basiliek
van
Constantijn
en de
nieuwe
St.
Pieterskerk
strekken
zich de
Vaticaanse
Catacomben
uit, die
na hun
renovatie
worden
omschreven
als de
Nieuwe
en de
Oude
Catacomben.
De
eerste
zijn
tussen
1534 en
1546
ontstaan
en
vormen
een
halve
cirkel
rondom
de
Petruskapel
(links),
die
boven
het graf
van de
apostel
was
gebouwd.
Ze
omsluiten
ook het
hele
oppervlak
van de
erboven
gelegen
dwarsbeuk.
De Oude
Catacomben
strekken
zich uit
onder
het
hoofdschip
van de
basiliek.
Exterieur
Een
kijkje
op de
colonnade
met de
immense
Dorische
pilaren.
Deze 284
zuilen
zijn
opgesteld
in vier
evenwijdige
rijen en
vormen
twee
halve
cirkels
die als
de
uitgestrekte
armen
van
Christus
de massa
der
gelovigen
moeten
omvangen.

Sint-Pietersplein,
verzamelplaats
voor
alle
volkeren.
Bernini
zag het
plein
als de
verzamelplaats
van alle
volkeren,
omsloten
door de
armen
van
Christus.
Zoals in
de
Sant'Andrea
al
Quirinale
vat hij
de
ruimte
op als
een
dwarsovaal.
Hij
bekomt
die door
aan een
rechthoekig
middenstuk
twee
halfcirkels
te laten
aanleunen.
Tussen
dit
ovalen
plein en
de
basiliek
ligt een
kleiner
tussenplein,
dat
verbreedt
naar de
voorgevel
toe.
Deze
vorm
heeft
Bernini
aan het
Capitoolplein
van
Michelangelo
ontleend.
Als
barokmeester
gebruikt
Bernini
alle
effecten
van de
architectuur
om dit
plein
beeldend
te
bewerken:
-
de
gevel
van
de
basiliek
als
achtergrond
en
blikvanger
-
de
centraal
geplaatste
obelisk
die
de
hoogte
inwijst
-
het
dartele
waterspel
van
de
fonteinen
-
de
colonnade
met
zijn
licht-
en
schaduweffect
-
de
140
beelden
als
een
krans
van
heiligen
(‘acterende
beelden')

De gevel
van
Maderno
: een
harmonisch
geheel
van
zuilen
en
korintische
lisenen
(verticale
banden),
met de
hoofdingang,
als
centraal
punt.
Erboven
bevindt
zich de
zegeningsloggia,
van
waaruit
de paus
zijn
pauselijke
zegen
geeft.
De
façade
wordt
door een
brede en
lange
band en
een
grote
attica
afgesloten
; op die
manier
zette
Maderno
het
schema
van
Michelangelo
voor de
afwerking
van de
apsis
voort.
Het
enige
verschil
bestaat
uit de
balustrade
met de
kolossale
beelden
erboven.
Het
oorspronkelijke
plan
voorzag
in twee
klokkentorens,
die
inderdaad
door
Bernini
zijn
gebouwd.
Ze
moesten
echter
worden
afgebroken,
omdat ze
door hun
gewicht
schade
veroorzaakten.
In hun
plaats
zijn
thans
twee
uurwerken
te zien,
die in
de 18de
eeuw
door
Valadier
werden
toegevoegd.


|