Kleding 1940 - 1947: Tweede Wereldoorlog

Ondanks de grote textielschaarste en de tot stilstand gedwongen mode-industrie bleek zich toch tijdens de oorlogsjaren een nieuw modebeeld te ontwikkelen. Dit was vooral gebaseerd op vindingrijkheid. In Engeland werd de 'fashion group of Great Britain' opgericht, die modeshows organiseerde waar werd getoond hoe men van oude kleding iets nieuws kon maken. In Nederlandse damesbladen stonden zelfs aanwijzingen hoe men zelf schoenen kon vervaardigen. Een lippenstift was een begerenswaardig bezit, want met make-up werd het gemis aan variatie in de kleding gecompenseerd. Over het algemeen trachtte de Westeuropese vrouw het moreel hoog te houden door haar uiterlijk niet te verwaarlozen. Het materiaaltekort beïnvloedde het modebeeld sterk. Waar vroeger kerk en staat aandrongen op decente kleding, werd de vrouwen nu van overheidswege verzocht met zo weinig mogelijk te volstaan.

 

De kleding van de vrouw was voornamelijk praktisch. Deze was ook wat mannelijk door de verbrede schouders met schoudervullingen en de kordate rechte rokken. De japon was dikwijls van twee soorten stof gemaakt: twee oude jurken vormden één nieuwe. De mouwen waren vaak geplooid ingezet. Van vooroorlogse herenkostuums werden grijze mantelpakjes gemaakt. De zomerse dracht was een vooroorlogse jurk of een rimpelrok met een bloesje of een zelfgebreid kort truitje. Omdat er geen kousen waren droeg men veel pantalons. Dit was voor het eerst dagelijkse kleding voor vrouwen!
 

De mantel: oude mantels werden wel voorzien van fluwelen kragen. Regenjassen in een trenchcoat model werden vervaardigd van waterdicht gemaakte lakens.
 

Het haar: omdat men zich door middel van de haardracht zonder veel kosten kon verfraaien, werd veel werk van het kapsel gemaakt. Men zette krullen of bleekte het haar. Het kapsel was lang, dikwijls het voorste deel opgestoken in krullen.
 

De hoed: dezelfde modellen als in de jaren dertig, vaak opgesierd met een voile. Hoofddoeken om de kin geknoopt of als tulband.
 

De accessoires: zelfgemaakte schoudertassen van touw, leer en hout, mof van resten bont, gebreide wanten.
 

De kousen: speciaal vermeld vanwege het feit dat katoenen sokjes werden gedragen zelfs bij schoenen met hoge hakken (bij gebrek aan zijden, wollen en kunstzijden kousen). Vindingrijk detail: op blote benen en hielen tekende men de naden van kousen.
 

De schoenen: vooral praktische modellen met blokhakken. Veel kaplaarzen. Toen alle voorraden waren verbruikt ging men zelf schoenen maken; voor het gemak met doorlopende houten of kurken zolen. Dit werd een nieuwe mode: de sleehak.
 


De kleding van de man was uitsluitend bedoeld om te beschermen tegen weersinvloeden. Kostuums werden versteld en vermaakt, mantels werden gekeerd (de vaak nog goede binnenkant van de stof kwam dan aan de buitenzijde). Ze werden ook wel gebruikt om er kinderjassen van te maken. Mannen droegen bivakmutsen, dezelfde die in het leger werden gedragen.
Net als de vrouw droeg de man o.a. een regenjas van waterdicht gemaakte lakens.
 


De kleding van het kind was vooral gemaakt van oude stoffen en gebreid van uitgehaalde wol. Van ruwgesponnen schapenwol maakte men gebreide vestjasjes, omgehaakt met een kleurig draadje. Kindermode werd het windjack, een kort bloezend jasje op een tailleband, geïnspireerd op de battle dress.
 

 

 © Centraal Museum Utrecht
Afb. 1, affiche, 1946, papier
67 x 47,5 cm, ontworpen door Dolly (Gustave Adolphine Wilhelmina) Rüdemann (1902-1980) © Centraal Museum Utrecht


 © Centraal Museum Utrecht
Afb. 2, feestrok, 1946-1948, diverse lapjes van verschillende materialen vervaardigd door Elisabeth Hannema-van Maasdijk
Opmerkingen: Opschrift aan de binnenzijde: `1310' (registratienummer van de rok). Opschrift in de zoom: `We zijn er nog niet ...//MAAR: WE KOMEN ER WEL'.
 

 

 © Centraal Museum Utrecht

Afb. 3, hoed, ca. 1942, naturelkleurig stro met zwart vilt © Centraal Museum Utrecht



Kleding 1947 - 1955: New Look

West-Europa werd na de oorlog in de fase van de wederopbouw gesteund door Amerika (Marshallhulp). Hoge flatbouw, winkelcentra, de flipperautomaat, de jukebox en de nylonkous zijn sindsdien niet meer weg te denken uit de Westeuropese samenleving. Ondanks die grote Amerikaanse invloed was het toch Parijs dat de leidende rol in de modewereld weer op zich nam. In 1947 ontwierp Dior als reactie op de oorlogsmode een zeer vrouwelijke ligne corolle (bloemkroon), door de Amerikaanse modepers de new look genoemd, aanvankelijk sterk bekritiseerd omdat de nieuwe, lijn onverantwoordelijk veel stof vereiste. Bij de vrouwen vond de nieuwe mode onmiddellijk aanhangsters. Tegelijkertijd ontstond in de Parijse studenten- en artiestenkelders een nieuwe subcultuur waaraan het existentialisme ten grondslag lag (Sartre, Simone de Beauvoir, de zangeres Juliette Gréco). De uiterlijke kenmerken van deze stroming, zoals zwarte kleding en lang haar, werden door alle zich 'anders' voelende jongeren van West-Europa nagevolgd.
 

De kleding van de vrouw kreeg na 1947 een volledig ander silhouet: afgeronde schouders, een smalle taille en een wijde lange rok (afb. 1).
De rok was klokkend of gepasseerd en reikte in 1947 bijna tot de enkel; na 1950 kwam de rok tot tien centimeter onder de knie. Nieuw was ook de kimonomouw. Het deux-pièces had een getailleerd jasje met klokkend schootje. De grote tegenhanger van Dior was Fath, die in 1948 de kokerrok in de mode bracht.
Veelgedragen: twinsets, Schotse rokken, bloesjes van nylon cloqué met vlindermouwtje.
Het type van de Amerikaanse pin-up girl beïnvloedde het modebeeld o.a. met strapless jurken.
 

De mantel: vooral de wijde swagger met brede revers en pofmouwen (afb. 2).
 

De avondjurk: lang, vaak strapless met bijpassend jasje. Amerikaanse invloed: de cocktailjurk.
 

De sportkleding: strapless badpak, dito zonnejurk met bolero, driekwart broek.
 

De onderkleding: voorgevormde beha, ook strapless, strak korselet (vooral voor een slanke taille), tafzijden onderrok, jarretellegordel. Uit

Amerika: de eerste nylonkousen en als nachtkleding de baby-doll.
 

Het haar: halflang, gekruld haar, ook wel opgestoken.
De hoed: grote ronde hoed (Dior) of zeer klein hoedje met veer (Fath) of vogel , schuin op het hoofd geplaatst.
 

De accessoires: als reactie op de armoede tijdens de oorlog veel accessoires (afb. 3, 4, 5). Gulden regel: hoed en handschoenen in één kleur, tas en schoenen in een andere kleur. Verder: ceintuurs, stola's, korte halssnoeren, oorknoppen.
 

De schoenen: pumps met hoge en lage hakken (afb. 6), moccasins of veterschoenen met profielzool, ballerina's.


De kleding van de man voor overdag week niet af van het vooroorlogse beeld. Wel werden naast het driedelige pak veel combinaties gedragen: geruit of tweed jasje met effen broek. De jasjes hadden brede revers, de broeken omslagen aan de pijpen. Daarbij een wit overhemd (een enkeling droeg al een nylon hemd!) en een smalle das. 's Avonds, ook wel in plaats van een smoking, werd meestal een donkerblauw kostuum gedragen.
 

De mantel: rechte jas, regenjas met ceintuur en de monty-coat.
 

De onderkleding: korte onderbroeken en mouwloze hemden. De eerste nylon anklets.
 

Het haar: kort, achterovergekamd of met een scheiding opzij. De snor begon weer in de mode te komen (Engeland).
 

De hoed: alleen oudere mannen droegen een hoed, meestal een deukhoed.
 

De schoenen: onder invloed van Italië smalle spits toelopende schoenen, bruine en zwarte molières.

 

 © Centraal Museum Utrecht
Afb. 1, japon met frontje en ceintuur, 1952, wollen crêpe-georgette in beige en okergeel © Centraal Museum Utrecht
 

 

 © Centraal Museum Utrecht
Afb. 2, mantel, 1948, mosterdgele wol © Centraal Museum Utrecht
 

 

 © Centraal Museum Utrecht
Afb. 3, tas, 1955, wit stro © Centraal Museum Utrecht
 

 

 © Centraal Museum Utrecht
Afb. 4, hoed, midden jaren 1950, witte zijden bloemen op gaas © Centraal Museum Utrecht
 

 

 © Centraal Museum Utrecht
Afb. 5, draadkapje, ca. 1948, groen fluweel, ijzerdraad © Centraal Museum Utrecht
 

 

 © Centraal Museum Utrecht
Afb. 6, paar schoenen, ca. 1950, zwart leer, garnering van pailletten © Centraal Museum Utrecht


 

Kleding 1955 - 1964: Rock 'n' Roll

Omdat de verschillende modelijnen tussen'55 en '64 elkaar zeer snel hebben opgevolgd, worden hier alleen de meest typerende aspecten aangegeven.
Enerzijds was er de Parijse haute couture met een mode die bekendheid kreeg door veelvuldig gefotografeerde vrouwen als Jacqueline Kennedy en Farah Diba.
Het voortbestaan van de haute couture werd gegarandeerd door - vooral Amerikaanse - inkopers van grote confectiehuizen.
Anderzijds waren er film, televisie en rock 'n' roll die de jeugd inspireerden tot het dragen van kleding en kapsels zoals die van James Dean, Brigitte Bardot en Elvis Presley. Het gevolg was een aparte mode voor tieners en twens. Voor een volledig nieuwe lijn die zowel door de haute couture als de alternatieve jeugd overgenomen zou worden, werd in'62 in Londen de kiem gelegd door Mary Quant.
 


De kleding van de vrouw
veranderde vooral tot 1960 ieder jaar van silhouet : in 1954 Dior met A-lijn, in 1955 H-lijn, in 1957 De Givenchy met 'ligne sac' en 'ligne tulipe', in 1958 Cardin met S-lijn en Yves St. Laurent met trapeziumlijn. Veel gedragen: ensemble van jurk met jasje, prinsessemodel met gerende rok of rechte rok, de lengte tot onder de knie. Veel driekwart-mouwen. Als zomerjurk vooral variaties op de trouwjapon van Brigitte Bardot. Verder overhemdjurken, mouwloze hemdjurken en twinsets met plooirokken.

 

De mantel: sportieve rechte jas met grote zakken en een rugceintuur. Poplin (van popeline, een stof bestaande uit zijde en katoen)regenjassen met hoedje, vaak gedragen als zomerjas.
Korte of driekwart suède jasjes in vele kleuren.
 

De avondkleding: lang, strak lijfje, wijde rok. Na 1960 lange rok met blouse als informele avondkleding. De sportieve kleding: naar aanleiding van de spijkerbroek nu voor het eerst pantalons met een ritssluiting middenvoor. Na 1960 meer bikini's. Tot 1960 de driekwart broek met sweater van badstof.
 

De onderkleding: nylon voor onderbroeken, onderjurken, nachtkleding. Verstevigde beha , wijde petticoat. Nieuw type korset: de step-in.
De eerste naadloze nylons en maillots.
 

Het haar: sterk getoupeerd, opgestoken haar , voorzien van haarlak. Verder het enveloppenkapsel en de paardestaart. Veel oogmake-up: eyeliner, mascara en oogschaduw.
 

De hoed: minder hoeden. Bij een geklede jurk een dopje van dezelfde stof achter op het hoofd.
De accessoires: nieuw (1955) zijn de plastic tassen, soms twee modellen in één (schoudertas en beugeltas). Smeedijzeren oorhangers (tot 1960), oorknoppen, armbanden met munten, elastische ceintuurs.
 

De schoenen: pumps met lage gebogen hakken (queenie) of hoge naaldhakken. Een Italiaanse vinding was de stalen naaldhak. Bij wijde zomerjurken ballerina's. s Winters korte suède laarzen met bontvoering.


De kleding van de man werd wat eleganter onder invloed van de Italiaanse herenmode. We zien smallere jasjes, smalle broekspijpen en andere kleuren dan alleen blauw en grijs. Daarnaast het vertrouwde beeld van het kostuum of de combinatie. Blazers werden veel gedragen. Behalve witte no-iron overhemden ook al gekleurde overhemden, gedragen met smalle gehaakte dassen.
 

De mantel: rechte wollen jas, korter model. Jonge mensen monty-coat of jopper.
 

De sportieve kleding: De Amerikaanse rock 'n' roll bracht de spijkerbroek in de mode, gedragen met een T-shirt of een lange trui.
 

De onderkleding: onderbroeken in heupmodel; korte nylon sokken.
 

Het haar: kort met zijscheiding. Jongens een Elvis Presley-kuif. Geen hoeden.
 

De schoenen: smalle, puntig toelopende (Italiaanse) schoenen en schoenen van juchtleer (zeer zacht soepel leer).


 © Centraal Museum Utrecht
Afb. 1, japon, 1957, bedrukte keper-zijde in wit en donkerblauw © Centraal Museum Utrecht


 © Centraal Museum Utrecht © Centraal Museum Utrecht
Afb. 3, japon met mantel, 1964, goudkleurige kunststof © Centraal Museum Utrecht
 

 

 © Centraal Museum Utrecht
Afb. 4, paar schoenen, ca. 1956, zilverkleurig leer, plastic © Centraal Museum Utrecht
 

 

 © Centraal Museum Utrecht
Afb. 5, paar schoenen, ca. 1963, donkerblauw en wit leer © Centraal Museum Utrecht
 

 

 © Centraal Museum Utrecht
Afb. 6, cocktailjapon, 1961, zwart fluweel en zijden satijn
© Centraal Museum Utrecht

 

 

Kleding 1964 - 1970: De Beatles

1964 was een belangrijk jaar voor de ontwikkelingen in de mode. In Parijs trachtte Courrèges, geïnspireerd door de ruimtevaart, met zijn astronauten-look, het tanende gezag van de haute couture te herstellen. Hij kon echter niet verhinderen dat de sympathie van de jeugd uitging naar het 'swinging London' van Mary Quant, de Beatles en boetieks als Biba.
Het schoonheidsideaal van zowel Quant als Courrèges was een slanke, jongensachtige vrouw in een minijurk. De weg naar een fantasievollere mannenmode werd gebaand door de Beatles, van wie de lange haardos en de kraagloze pakken (Cardin) door miljoenen fans werden geïmiteerd Andere invloeden op de mode kwamen uit liet Verre Oosten (India), dat een mystieke aantrekkingskracht had op jonge 'hippe' mensen uit de hele wereld.


De kleding van de vrouw was revolutionair kort, ongeveer twintig centimeter boven de knie (afb. 1 en 4). De minijurk was recht, vaak met halflange ingezette mouwen en een accent op de heupen. Typerend waren de 'uitgeknipte' cirkels of rechthoeken en het gebruik van twee afstekende kleuren in één kledingstuk. Pas na 1968 kwam als reactie een langere mode: de midi (halflang) en de maxi (lang). Er ontstond een verward modebeeld, waaruit de pantalon als noodoplossing naar voren kwam. De verschillende vormen: het broekpak (St. Laurent), het safaripak (Bohan) of het tuniekpak, een samenvoeging van pantalon en minijurk. Nieuw was ook het bermuda pak en de mouwloze maxi-jas.
 

De mantel: kort, smal iets gerend model. Na 1968 de maxi-jas en de ,lange cape of de korte bontjas, voor het eerst ook van synthetisch bont. Regenjas van lakplastic en doorzichtig plastic (Courrèges).
 

De avondkleding: de formele avondjurk van kostbare stof werd vervangen door een rechte lange jurk (jersey of lurex), een fluwelen broekpak of een smokingpak (St. Laurent), een doorkijkblouse of een jumpsuit.( afb. 2)
 

De sportieve kleding: kleine bikini's; badpakken met 'uitgeknipte' stukken.
 

De onderkleding: als direct gevolg van de minimode de panty-nylon (kousen en broekje aaneen) en de body-stocking (panty en truitje aaneen). Netkousen. Weinig en dun ondergoed, beha's zonder vulling of versteviging.
 

Het haar: kort pagekapsel of halflang haar met een golf naar buiten. Rage: pruiken van echt of synthetisch haar. Veel oogmake-up.
 

De hoed: grote pet (uit de film 'Bonny and Clyde' die zich afspeelde in de jaren dertig) of klein astronautenkapje, wollen muts met bijpassende shawl.
 

De accessoires: sieraden van zilver en (van Paco Rabane) halsornamenten (afb. 3), oorhangers en zelfs jurken van hardplastic plaatjes en metalen ringetjes. De jeugd droeg Indiase sieraden. Kleine schoudertassen en zeer grote zonnebrillen.
 

De schoenen: vooral opvallend dat laarzen in deze periode ook binnenshuis werden gedragen, o.a. zomerlaarzen van vinyl en linnen.
 

 

De kleding van de man kreeg onder invloed van Italië meer variatie: onconventionele stoffen als fluweel en ribfluweel, gekleurde hemden met dessins, zijden en dunne wollen coltruien. Pierre Cardin ontwierp voor de Beatles pakken met kraagloze jasjes. De nieuwe tendens in de mannenmode en de mode van de broekpakken voor de vrouwen, leidden tot het begrip uni-sex.
 

De mantel: na 1968 ook midi-jassen voor mannen. In plaats van een jas vaak een kort suède jack.
 

De avondkleding: bij een smoking vaak een brede gekleurde gordel (cummerbund) en een speciaal hemd met kantjes. Een fluwelen pak met zijden coltrui kon de smoking vervangen.
 

Het haar: langer haar, bakkebaarden. Jonge mannen soms tot op of over de schouders.
 

De schoenen: suède booties, molières en instapschoenen.

De hippe kleding, voor jonge mensen in navolging van de 'hippies': spijkerpak, Indiaas hemd, Afghaanse jas (geborduurde jas van langharig schapebont), lange Indiase jurken met oosterse sieraden. Dit alles met sandalen of laarzen.


 © Centraal Museum Utrecht
Afb. 1, driedelig mantelpak, 1965, crème Thai-zijde, knopen en gesp met strass, ontworpen door Dick Holthaus (geb. 1928) © Centraal Museum Utrecht
 

 

 © Centraal Museum Utrecht
Afb. 2, jumpsuit, 1970, gele dubelgeweven wollen crêpe (Gérondeau, Parijs)
ontworpen door Frans Molenaar (geb. 1940) © Centraal Museum Utrecht
 

 

 © Centraal Museum Utrecht
Afb. 3, halssieraad, 1968, aluminium, diameter 38 cm, vervaardigd door Emmy van Leersum (1930-1984) © Centraal Museum Utrecht
 

 

 © Centraal Museum Utrecht
Afb. 4, japon met halssieraad, 1966, witte kunststof en perspex; zilver
vervaardigd door Emmy (Emmy Jetty) van Leersum (1930-1984) © Centraal Museum Utrecht
 

 

 © Centraal Museum Utrecht
Afb. 5, cirkeljurk, ca. 1970, crème katoen, bedrukt met blauwe vormen
ontworpen door Vuokko (Vuokko Eskolin-Nurmesniemi) (geb. ca. 1948) © Centraal Museum Utrecht.

De teksten van de artikelen zijn ontleend aan de Tirions kostuumgids : westerse kledingstijlen van de vroege Middeleeuwen tot heden geschreven door Marian Conrads en Gerda Zwartjes. De afbeeldingen bij de artikelen zijn allemaal afkomstig van de collectie van het Centraal Museum Utrecht. Op de website van het Centraal Museum is een database te vinden met de collecties van het museum, waaronder ook de mode- en kostuumcollectie. Daar kan je verder zoeken naar meer voorbeelden uit de beschreven periodes.

 

 

Pagina 1     Pagina 2     Pagina 3