|
Draadloze telefoon
Een telefoon, of eigenlijk telefoontoestel, is een toestel waardoor men kan
spreken met iemand anders die ook een telefoontoestel bezit, mits beiden via
een telefoonnetwerk verbonden zijn. Het telefoonsysteem maakt het mogelijk
dat twee mensen een gesprek voeren, terwijl zij zich buiten gehoorbereik van
elkaar bevinden. Telefoons zijn niet meer weg te denken uit de samenleving.
In striktere zin wordt met telefoon het onderdeel van een telefoontoestel
aangeduid dat het ontvangen telefoonsignaal omzet in geluid. In de laatste
betekenis komen we het woord ook tegen in hoofdtelefoon en oortelefoon.

Telefoontoestel uit 1896
Het woord telefoon is afgeleid van het Grieks: τῆλε (téle, ver) en φωνή (phónè,
geluid). In het Nederlands "ver spreken".
Geschiedenis van de telefoon
Het eerste uitgewerkte voorstel voor telefonie is gedaan door Charles
Bourseul in 1854. De Duitse fysicus Philipp Reis kwam 1860 met het eerste
concept voor het maken van een telefoonverbinding en is de ontdekker van het
eerste telefoon, ook de naam "Telefon" is van Philip Reis. Op 14 februari
1876 werd door Alexander Graham Bell een patent aangevraagd op de uitvinding
voor ‘improvement of telegraphy’. Enkele jaren daarvoor was het Antonio
Meucci al gelukt om een telefoonverbinding tot stand te brengen. Door
geldgebrek kon hij echter een patentaanvraag niet betalen.

Kiesschijftelefoon met Scandinavische kiesschijf
Later werd de telefoon elektrisch versterkt gemaakt in plaats van akoestisch
waardoor de verstaanbaarheid beter was. Door een verbeterde kabeltechniek
werd de reikwijdte vergroot.
Twee uur na Bell diende Elisha Gray een patentaanvraag in voor ‘instruments
for transmitting vocal sounds telegraphically’. Het is vrij waarschijnlijk
dat Gray en Meucci onafhankelijk van elkaar de telefoon uitgevonden hebben.
Op 1 juni 1881 opende de Nederlandsche Bell Telephoon Maatschappij op de
hoek van de Kalverstraat en de Dam, in Amsterdam, het eerste Nederlandse
openbare telefoonnetwerk met 49 vaste aansluitingen van abonnees. In midden
van de jaren negentig van de twintigste eeuw waren er 7 miljoen vaste
aansluitingen in Nederland. Daarna nam aantal vaste aansluitingen sterk af,
door onder andere de komst van de mobiele telefonie en de internettelefonie
(voip).

Druktoetstelefoon
Werking van de telefoon
In het telefoontoestel wordt het geluid (luchttrillingen) door middel van
een microfoon omgezet in een elektrische stroom (elektrisch signaal). Het
signaal wordt door kabels naar een telefooncentrale gevoerd. Van daaruit
wordt een verbinding gemaakt met de telefoonkabel van de gebelde persoon, of
met een volgende telefooncentrale als het een interlokaal gesprek betreft.
De telefoon van de ontvanger zal overgaan, en als deze opgenomen wordt,
wordt in de centrale een verbinding gelegd waardoor beide partijen met
elkaar kunnen spreken. Deze verbinding wordt verbroken door op een van beide
telefoons de hoorn op de haak te leggen.
Digitalisatie
Oorspronkelijk moest voor elke telefoonaansluiting een apart kabelpaar naar
de centrale gelegd worden. Voor interlokale gesprekken was het aantal
verbindingen beperkt tot het aantal aderparen dat tussen deze twee centrales
lag. Door de opkomst van de elektronica werd het mogelijk om de interlokale
verbindingen (tussen twee centrales) uit te breiden zonder het aantal kabels
te vermeerderen. Oorspronkelijk gebeurde dit door middel van het multiplexen
van meerdere frequentiebanden op een kabel, later door het digitaliseren van
de verbindingen. Later werd ook de verbinding van de telefooncentrale naar
de wijkcentrale gedigitaliseerd, en met de opkomst van ISDN en ADSL is ook
de zogenaamde last mile, de verbinding van de wijkcentrale naar de huizen
toe, gedigitaliseerd. Door de opkomst van VOIP dan wel internettelefonie
wordt nu ook de binnenhuisverbinding gedigitaliseerd, waardoor de enige
analoge schakel in de verbinding nog het stuk van de microfoon in de hoorn
tot de DA-converter in het telefoontoestel zelf is.

Draadloze telefoon
De grote voordelen van digitale boven analoge signalen in het
telefoonsysteem zijn dat het zeer vergemakkelijkt wordt om de verbinding te
schakelen, dat er minder kwaliteitsverlies optreedt, en dat meer
verbindingen over één kabel gevoerd kunnen worden.
Een belangrijk element in het geheel vormt dus de telefooncentrale waar de
verbinding tot stand wordt gebracht. In de beginjaren van de telefonie
gebeurde dit met de hand door een telefonist(e) maar in de 20'er jaren van
de 20ste eeuw deed de elektromechanische schakelaar (jargon: "kiezer") zijn
intrede in de telefooncentrale. Vanaf dat moment spreekt men van de "automatische
centrales"; de abonnee brengt de gewenste verbinding tot stand met behulp
van een kiesschijf die stroomimpulsen naar de kiezer in de centrale stuurt.
In Nederland werd de eerste automatische centrale in 1925 in gebruik genomen
in Haarlem. Tegenwoordig wordt nagenoeg elke telefoonverbinding door een (computergestuurde)
elektronische telefooncentrale tot stand gebracht. Gelijktijdig met de
overgang van de elektromechanische naar elektronische centrale is de
overgang van de draaiende kiesschijf naar het drukknopkiezen verlopen. Bij
drukknopkiezen stuurt een telefoontoestel verschillende toontjes naar de
centrale. Elke aansluiting op het telefoonnet krijgt een uniek
telefoonnummer. De telefooncentrale kan daardoor een aansluiting met elke
willekeurige andere aansluiting verbinden.
De intensiteit van het telefoonverkeer in de centrale of het telefoonnet
wordt uitgedrukt in Erlang.
De telefoon vroeger en nu
De eerste telefoons hadden niet echt een hoorn. Ze hadden een microfoon op
het toestel en een los oorstuk als hoorn. Een microfoon was om in te praten
en met het oorstuk kon je de persoon aan de andere kant van de lijn horen.
Dan was er ook nog een haak voor het oorstuk. Later werden de microfoon en
het losse oorstuk samen een hoorn. Gekozen werd er aanvankelijk door de
telefoniste mee te delen met wie men wilde spreken, later door een
automatische kiezer die uit een draaischijf bestond. Weer later werd de
draaischijf een knoppenpaneeltje.
Het ontwerp en het hele gebruik van telefoons is in de laatste 15 jaar sterk
veranderd. Vroeger waren telefoons forse, vaste apparaten die met een kabel
vastzaten. Tegenwoordig is een telefoon een klein dingetje dat je in je zak
hebt en dat draadloos communiceert met de telefooncentrale in huis of op
afstand. Telefooncellen, vroeger een essentieel onderdeel van het
straatbeeld, nemen door komst van mobiele telefoon steeds verder in aantal
af. Naast de functies praten en luisteren komen er steeds meer mogelijkheden:
SMS-functies, trilfuncties, internetten, foto's maken, ringtones. De vaste
aansluitingen neemt in laatste jaren sterk af. Deze ontwikkeling lijkt nog
niet ten einde.
Telefoonkabels
Vroeger waren de telefoondraden opgehangen aan palen boven de grond of aan
de daken van de huizen. Doordat ze zo hoog hingen, sloeg de bliksem er vaak
in. Dat veroorzaakte storingen. De kabels werden ook vroeger al van koper
gemaakt. Dat koper was zwaar en duur. Ze waren ook erg dik. Dat moest in die
tijd wel, omdat er in dunnere kabels meer verliezen optraden. Een
telefoonkabel bestaat meestal uit verschillende paren. Dit wil zeggen dat de
twee geleiders van een paar getwist (om elkaar gedraaid) zijn om overspraak
te voorkomen. De paren worden herkend door een kleurencode. Deze is gevormd
per vijf bestaande uit telkens één kleur met de vijf basiskleuren (de eerste
vijf paar zijn: wit/blauw, wit/oranje, wit/groen, wit/grijs en wit/bruin,
vervolgens vijf maal rood, vijf maal zwart enz.)
Tegenwoordig worden glasvezelkabels veel gebruikt voor telefoonverkeer
tussen telefooncentrales. Glasvezels zijn haardunne, buigzame vezeltjes van
zeer zuiver en helder glas. Lichtflitsen kunnen met bijna de lichtsnelheid
door glasvezel reizen zonder dat ze veel verzwakken. De signalen zijn
ongevoelig voor ruis, zodat ze niet beschadigd aankomen.
Er is ook een techniek ontwikkeld die gebruik maakt van het bestaande
kabelnetwerk (coax) voor teledistributie. De telefoniesignalen worden
digitaal verzonden samen met de beeldinformatie van de TV-kanalen. Ondanks
dat deze techniek digitaal is, is het een nadeel dat de ISDN-norm niet
ondersteund wordt.
Draadloze straalverbindingen tussen centrales worden veel gebruikt in
moeilijk bereikbare gebieden. Satellietverbindingen kunnen toegepast worden
tussen individuele abonnees en de operator.
Pogingen om een wereldwijd netwerk via satellietverbinding op te zetten zijn
tot dusver met een financiële kater afgesprongen (Iridium van Motorola).
Ook het internet biedt de mogelijkheid een gesprekskanaal op te bouwen en de
videotelefoon waar men jaren over spreekt lijkt dichter bij dan ooit,
bovendien erg betaalbaar en heel aanvaardbaar wat de kwaliteit betreft. Zie
VOIP, internettelefonie, Skype.
Het begrip spraakoverdracht via telefoon is niet meer eenduidig, door de
digitalisering is het overbrengen van spraak en data niet meer te
onderscheiden. Beeld, data, spraak: het kan allemaal via hetzelfde medium.

De andere uitvinders van de telefoon
Het verhaal van de uitvinding van de telefoon lijkt wel een sprookje. Er was
eens een knappe jonge spraakleraar, hij heette Alexander Graham Bell, die
aan het experimenteren was met een primitief soort telefoon.
Het apparaat wilde maar niet werken en Bell had bijna de moed opgegeven toen
hij per ongeluk een flesje op zijn werktafel omstootte en hij zuur over zijn
kleren kreeg. In een reflex riep hij zijn assistent Watson te hulp hoewel
die in een ander deel van het huis bezig was en daardoor buiten gehoorbereik.
Tot Bell's stomme verbazing stond Watson een paar seconden later in de kamer;
de laatste versie van de experimentele telefoon had toch gewerkt. Door het
apparaat had Watson duidelijk de stem van Bell gehoord: "Mister Watson come
here, I want you." En zo vond de knappe jonge Alexander Bell de telefoon uit
en leefde rijk en gelukkig.
Net als bij sprookjes is de werkelijkheid anders, ruim 22 jaar eerder
formuleert Charles Bourseul het basisprincipe van de elektrische telefoon,
in 1862 lukt het Philipp Reis om een werkend apparaat te maken en Elisha
Gray dient zijn octrooiaanvraag maar een paar uur na dat van Bell in.

Schets eerste telefoon van P. Reis
Geld opleveren
In 1862 beschrijft de Duitse fysioloog Hermann von Helmholz een bijzonder
telegraafsysteem. Met muziektonen moet het volgens hem mogelijk zijn om
meerdere telegrammen gelijktijdig over een enkele lijn te versturen.
Helmholz noemt het apparaat, waarvoor grote belangstelling bestaat bij de
telegraafmaatschappijen, een harmonische telegraaf. Ruim tien jaar later
begint Alexander Graham Bell aan een praktische uitvoering ervan te werken.
Niet helemaal vrijwillig overigens, zijn grote liefde is het ontwikkelen van
apparatuur om doven te leren spreken. Zijn schoonvader, die hem financieel
ondersteunt en die liever ziet dat Bell iets gaat doen dat geld kan
opleveren, spoort hem aan om zijn onderzoeksterrein te verplaatsen. Het
apparaat dat Bell uiteindelijk in elkaar zet is voor telegrafie totaal
ongeschikt, maar tijdens zijn proeven merkt hij dat het wel spraak kan
overbrengen.
Dynamische telefoon
De eerste Bell-telefoon ziet er op het eerste gezicht vreemd uit. In het
houten frame zijn de twee belangrijkste onderdelen gemonteerd, een holle
houten klos met daaroverheen een membraan en een elektromagneet. Op het
membraan is een ijzeren plaatje gemonteerd. Vanaf de elektromagneet lopen
draadjes naar twee aansluitpunten bovenop. Om een telefoongesprek te voeren
moeten twee van dit soort apparaten met behulp van draden met elkaar
verbonden worden; de gebruikers kunnen dan om de beurt luisteren of spreken.

Model eerste telefoon
Door de geluidstrillingen wordt het membraan in beweging gebracht en
verandert de afstand tussen het ijzeren plaatje en de elektromagneet. Het
magnetische veld in de spoel van de elektromagneet verandert hierdoor en er
wordt een kleine elektrische spanning opgewekt, die afhankelijk is van de
hoogte en de kracht van de geluidstrillingen.
In de andere telefoon zorgt die elektrische spanning er voor dat ook daar
het magneetveld verandert. Het membraan gaat daardoor trillen en het
oorspronkelijke geluid wordt weer hoorbaar. Het basisprincipe van de Bell-telefoon
is dat van een dynamo, het apparaat wordt daarom een dynamische telefoon
genoemd. De latere versies ervan krijgen de typische staafvorm die
tientallen jaren gebruikt zal worden.
Stelt u zich voor...
In het tijdschrift L'Illustration van 26 augustus 1854 beschrijft de Franse
telegraafbeambte Charles Bourseul al hoe spraak over een telegraaflijn
getransporteerd zou kunnen worden: "Stelt u zich voor dat men tegen een
beweegbare plaat spreekt, die flexibel genoeg is om niets van de
geluidstrillingen verloren te laten gaan: dat deze plaat de verbinding met
een batterij afwisselend verbreekt en herstelt, dan is het mogelijk dat
eenzelfde plaat op een andere plaats die de bewegingen exact volgt."
Bourseul probeert ook om zijn theorie in een praktische toepassing om te
zetten. Dat lukt niet, volgens zijn eigen verklaring kan hij met zijn
toestel wel muziektonen over brengen maar geen spraak overbrengen.
Onbewust
De volgende stap op de weg naar de telefoon wordt gezet door de
natuurkundeleraar Philipp Reis, als die in 1862 voor een lezing voor de
Physikalischer Verein in Frankfurt een typisch apparaat meebrengt. Hij noemt
het een 'telephon'. Het apparaat bestaat uit een opnemer en een weergever
die via twee draden met elkaar verbonden zijn. In de opnemer bevindt zich
een strak gespannen stukje perkament waarop een gevoelig elektrisch contact
is gemonteerd. Door in een soort trechter te praten gaat het perkament
trillen en wordt het contact in het ritme van het geluid geopend en gesloten.

Model eerste telefoon van P. Reis
De weergever is een klein houten doosje met daarop een breinaald die tussen
twee houdertjes is gemonteerd. Om de breinaald zit een spoel, die via het
contact van de opnemer is aangesloten op een batterij. De
stroomonderbrekingen van de opnemer zorgen voor een wisselend magnetisch
veld in de spoel. Hierdoor verandert de breinaald een klein beetje van
lengte en produceert geluid. Dit verschijnsel wordt magnetostrictie genoemd.
Het doosje zelf werkt als een klankkast.
Philipp Reis zit op een verkeerd spoor, het is onmogelijk om zo spraak over
te brengen. Toch verklaren getuigen dat zijn apparaten wel degelijk werkten
en een recente proef met een originele Reis-telephon bevestigt dit. Bij
zorgvuldig afstellen blijkt de opnemer geen stroomonderbrekingen, maar
stroomveranderingen te produceren: onbewust had Reis de eerste
weerstandsmicrofoon uitgevonden.
Te laat
Onafhankelijk van Bell werkt de uitvinder Elisha Gray aan de harmonische
telegraaf. Net als Bell komt hij zo op het spoor van de telefoon. Beide
uitvinders komen, zonder dat overigens van elkaar te weten, tot dezelfde
oplossing voor de weergever, maar voor de opnemer slaat Gray een heel andere
richting in. Zijn apparaat bestaat uit een glazen beker gevuld met een
zoutoplossing. De beker is afgesloten met een membraan, waaraan een stalen
naald is vastgemaakt die in de vloeistof steekt. Het membraan beweegt door
geluidstrillingen waardoor de naald dieper of minder diep de vloeistof in
gaat.

Telefoon van A.G. Bell
Hierdoor verandert het elektrische stroompje, dat via de vloeistofkolom en
de stalen naald loopt. In de ontvanger - een dynamische telefoon - wordt het
elektrische signaal weer omgezet in geluid.
De ironie van het lot wil dat Gray zijn octrooiaanvraag twee uur na die van
Bell indient. Dat heeft een jarenlange juridische strijd tussen beide
uitvinders tot gevolg, waarin ze elkaar over en weer van plagiaat en
diefstal beschuldigden. Uiteindelijk wint Bell en wordt de uitvinding van de
dynamische telefoon definitief aan hem toegewezen.
Bronvermelding
Muscom en
Wikepedia
|